De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind heeft verleend. De ondertoezichtstelling van het kind was verlengd en de machtiging tot uithuisplaatsing was verleend voor de periode van 1 maart 2021 tot 1 maart 2022.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog niet was uitgevoerd door de gecertificeerde instelling (GI). Volgens artikel 1:265c lid 3 BW vervalt een machtiging tot uithuisplaatsing als deze niet binnen drie maanden na verlening wordt uitgevoerd. De GI had de machtiging niet binnen deze termijn ten uitvoer gelegd, waardoor deze is vervallen.
De moeder heeft geen belang meer bij haar hoger beroep omdat de machtiging niet meer kan worden uitgevoerd. Het hof heeft daarom de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep. De vader van het kind is in de procedure overleden, en de raad voor de kinderbescherming was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.