In hoger beroep verzocht de vader primair eenhoofdig gezag en hoofdverblijf van de minderjarige bij hem, subsidiair gezamenlijk gezag en omgangsregeling. De raad voor de kinderbescherming adviseerde gezamenlijk gezag toe te wijzen en het hoofdverblijf bij de moeder te laten.
Het hof constateerde dat het contact tussen de vader en de minderjarige onder begeleiding van een organisatie in België succesvol is hersteld en dat ouders inmiddels overeenstemming hebben bereikt over een omgangsregeling en mediationtraject. De moeder reageerde niet op het hof, maar de raad stond achter het gezamenlijk gezag.
Op grond van artikel 1:253c BW oordeelde het hof dat er geen onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem raakt tussen de ouders en wees het verzoek tot eenhoofdig gezag af. Het hoofdverblijf blijft bij de moeder, aangezien dit in het belang van de minderjarige is. De omgangsregeling, met onbegeleid contact eens in de twee weken bij de vader thuis, wordt vastgelegd. Het hof wijst het verzoek tot oplegging van een dwangsom af omdat de moeder uitvoering geeft aan de regeling.