3.16.Het hof overweegt het volgende.
3.16.1.Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader aangegeven dat het hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 25 september 2020 zich beperkt tot de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf. Gelet hierop behoeven de grieven van de vader voor zover deze zien op de contactregeling en de verleende vervangende toestemming voor inschrijving op het kinderdagverblijf en de peuterspeelzaal te [woonplaats moeder] geen nadere bespreking. Het hof wijst de betreffende verzoeken van de vader af.
3.16.2.Naar het oordeel van het hof behoeft de stem van [minderjarige] ten aanzien van het aan het hof voorliggende geschil met betrekking tot haar hoofdverblijfplaats mede gelet op haar nog zeer jonge leeftijd niet door de benoeming van een bijzondere curator te worden vertegenwoordigd. Dat verzoek van de vader zal worden afgewezen.
3.16.3.Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.16.4.Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen onderzoek en afweging – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] wenselijk is dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder houdt. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
Naar het hof is gebleken was de relatie van partijen reeds beëindigd op het moment dat [minderjarige] werd geboren en hebben partijen feitelijk nooit samengewoond. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 18 april 2018 in een tussen partijen aanhangig zijnde kort geding procedure zijn partijen in onderling overleg overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn. Op dat moment was de moeder al woonachtig in [woonplaats moeder] en de vader in [woonplaats vader] . [minderjarige] verbleef op dat moment feitelijk ook bij de moeder. De stelling van de vader dat sprake was van louter een administratieve hoofdverblijfplaats blijkt nergens uit en wordt ook niet ondersteund door de feitelijke situatie. Evenmin is gebleken van zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder. Hetgeen de vader naar voren brengt in onderlinge samenhang bezien leidt ook niet anderszins tot het aannemen van contra-indicaties voor het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding en acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool [woonplaats moeder] en [woonplaats vader]
3.16.5.Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader bevestigd dat zijn verzoek om de aan de moeder verleende vervangende toestemming voor inschrijving op de Jenaplan basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] alsnog af te wijzen en zijn verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op basisschool [basisschool 1] te [woonplaats vader] , slechts zijn gedaan voor het geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats volgt dat deze verzoeken daarom geen bespreking meer behoeven. Het hof zal deze verzoeken van de vader afwijzen
3.16.6.Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een door de ouders onderling getroffen contactregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.16.7.Nu [minderjarige] vanaf 6 september 2021 naar school gaat waardoor de tussen partijen overeengekomen contactregeling niet langer uitvoerbaar is, is sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat de tussen partijen overeengekomen contactregeling voor wijziging vatbaar is en beoordeeld moet worden welke regeling in het belang van [minderjarige] is.
3.16.8.De vader verzoekt het spiegelbeeld van de door hem in het beroepschrift verzochte contactregeling vast te stellen indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft, zo blijkt uit de toelichting van zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling. Hij verzoekt derhalve een regeling waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij hem verblijft, terwijl de moeder de om en om weekendregeling wil handhaven. Naar het hof is gebleken hebben partijen vanaf 18 april 2018 uitvoering gegeven aan de in de kort geding procedure overeengekomen contactregeling. Dit betrof een uitgebreidere regeling dan een reguliere weekendregeling en tevens een uitgebreidere regeling dan de thans bij de bestreden beschikking vastgestelde regeling. Weliswaar betekent de schoolgang van [minderjarige] dat niet langer uitvoering gegeven kan worden aan de tussen partijen in kort geding overeengekomen regeling, maar het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat zij meer contact met de vader en zijn gezin heeft dan een weekend per veertien dagen. Aan de andere kant is het ook in het belang van [minderjarige] indien zij een weekend bij de moeder kan doorbrengen en het hof acht daarvoor één weekend in de vier weken onvoldoende. Gelet hierop acht het hof een cyclus van drie weken waarbij [minderjarige] het eerste weekend bij de moeder verblijft en vervolgens twee weekenden bij de vader, het meest wenselijk in het belang van [minderjarige] . Het omgangsweekend van de vader vangt aan op vrijdag direct uit school en eindigt maandag bij aanvang school. Hiermee worden eventuele spanningen bij een overdrachtsmoment bij één van de ouders thuis voorkomen. Bovendien blijft de vader op die manier betrokken bij school en verblijft [minderjarige] tijdens het omgangsweekend een nacht langer bij de vader. Dat [minderjarige] op maandagochtend voor school vanaf [woonplaats vader] naar [woonplaats moeder] moet worden gebracht ziet het hof niet als bezwaar. Zij hoeft hiervoor niet ongebruikelijk vroeg op te staan en kan eventueel nog slapen tijdens de autorit.
3.16.9.Indien een studiedag op een vrijdag voor een omgangsweekend van de vader valt, vangt dit omgangsweekend aan – conform het voorstel van de moeder – op donderdag meteen vanuit school. Als een studiedag op een maandag aansluitend op een omgangsweekend van de vader valt, eindigt het omgangsweekend niet op maandag bij aanvang school maar op maandag om 15.00 uur en brengt de vader [minderjarige] naar de moeder. De moeder werkt op maandag tijdens schooltijd en de vader is op vrijdag vrij. De overige studiedagen, die derhalve niet op een vrijdag voor of maandag na een omgangsweekend van de vader vallen, worden – conform het voorstel van de moeder – in onderling overleg tussen partijen verdeeld, waarbij de vader [minderjarige] op de studiedagen dat zij bij hem verblijft om 8.00 uur bij de moeder ophaalt en haar om 18.00 uur terugbrengt.
3.16.10.Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij aan het doordeweekse contactmoment van dinsdag op woensdag geen uitvoering meer kan geven, omdat hij dan niet langer vrij is van zijn werk. Het hof acht het van belang dat er ook in de week waarin [minderjarige] het weekend bij de moeder verblijft, een contactmoment plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader. De vader is op maandag vrij. Gelet hierop bepaalt het hof dat er in de eerste week van de driewekelijkse cyclus op maandag tot dinsdag contact plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader, waarbij de vader haar op school ophaalt en haar op dinsdagochtend naar school brengt.
3.16.11.Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat de verdeling van de zomervakantie zoals door de moeder verzocht niet langer in geschil is, behoudens wat betreft het tijdstip van terugbrengen op 5 september 2021. De moeder wil dat [minderjarige] om 16.00 uur wordt teruggebracht omdat zij de volgende dag naar school gaat en zij om 19.00 uur naar bed gaat. De vader wil haar op het gebruikelijke tijdstip van 17.00 uur terugbrengen. Zoals het hof partijen tijdens de mondelinge behandeling al heeft voorgehouden beslist het hof dat de vader [minderjarige] op 5 september 2021 op het gebruikelijke tijdstip van 17.00 uur moet terugbrengen.
3.16.12.In hetgeen partijen aanvoeren ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen dan de zeer gedetailleerde regeling die de rechtbank heeft vastgesteld ten aanzien van de overige vakanties, feestdagen en bijzondere dagen. Op haar verjaardag verblijft [minderjarige] bij de ouders bij wie zij op basis van de contactregeling verblijft en hetzelfde geldt ten aanzien van de sinterklaas en de verjaardag van [halfzusje] . Dit zijn dagen die ook op een andere dag gevierd kunnen worden. Weliswaar verblijft [minderjarige] twee achtereenvolgende jaren, in 2021 en 2022, bij de vader met Oud en Nieuw maar de vader heeft onweersproken naar voren gebracht dat [minderjarige] de afgelopen twee jaar, in 2019 en 2020, bij de moeder is geweest. Als overdrachtsmoment tijdens de vakanties geldt zondag om 17.00 uur.
3.16.13.Het hof vertrouwt erop dat, zolang sprake is van deze moeizame verhouding tussen partijen, de partners van partijen in het belang van [minderjarige] bij de overdracht bij één van de ouders thuis buiten beeld blijven. Wel kan de partner van de vader [minderjarige] op school ophalen en haar naar school brengen indien de vader verhinderd is; er is dan immers geen overdrachtsmoment in aanwezigheid van de moeder. Het hof ziet op dit moment nog geen aanleiding om aan de aanwezigheid van de partner bij de overdracht thuis een dwangsom te verbinden. Het enkele feit dat de partner van de vader zich tijdens het overdrachtsmoment in de gang bevond, is hiervoor nu onvoldoende. Dat neemt niet weg dat het hof van de vader en diens partner verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] ervoor zorgen, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en het hof, dat de partner niet aanwezig is bij een overdrachtsmoment, dus ook niet in de gang loopt. Naar het oordeel van het hof is dit heel gemakkelijk te voorkomen en daarmee laat men zien in het belang van [minderjarige] te handelen.
3.16.14.Het verzoek van de moeder om het onder productie 7 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep overgelegde document [afspraken met betrekking tot medische aangelegenheden en spullen [minderjarige] ] integraal in de beschikking op te nemen en te bepalen dat partijen zich hieraan met ingang van de datum van onderhavige beschikking dienen te houden wijst het hof af, reeds omdat partijen hierover geen overeenstemming hebben. Naar het hof is gebleken hebben beide ouders het beste voor met [minderjarige] . De ouders moeten in het belang van [minderjarige] op een constructieve wijze met elkaar gaan communiceren. Hiervoor zal in het kader van de ondertoezichtstelling hulpverlening ingezet gaan worden. Het hof gaat ervan uit dat partijen in dat kader ook tot afspraken zullen komen ten aanzien van medische aangelegenheden en de spullen van [minderjarige] .