Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant 2] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/284492 / HA ZA 14 -741)
2.Het geding in hoger beroep
- de appeldagvaarding van 26 juni 2019;
- de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis met producties;
3.De beoordeling
€ 455.217,81
Volgens [B.V.] is door [accountant 1] een bedrag van € 35.923,00 te weinig berekend aan te verrekenen opbrengsten.
€ 192.880,00 te hoog is vastgesteld. Daarnaast is sprake van twee nagekomen posten directe kosten voor het tweede halfjaar van 2010 van € 560,00 en € 315,00 die ten onrechte niet in de berekening zijn opgenomen.
Volgens [B.V.] is er een verschil is tussen de administratie van [appellant 1] en de administratie van [geïntimeerde 1] in de balanspost debiteuren / crediteuren van € 36.565,00 ten gunste van [appellant 1] .
[geïntimeerde 1] heeft de stelling dat er blijkens het rapport van [B.V.] op dit punt verschillen zijn tussen de financiële administratie en de eindafrekening niet weersproken althans onvoldoende weerlegd en daarmee haar stelling dat de eindafrekening op dit punt wél juist zou zijn, onvoldoende onderbouwd. Hieruit volgt dat in de eindafrekening rekening gehouden moet worden met de correctie van € 35.923,00 ten gunste van [appellant 1] .
eindafrekening (onderstreping rechtbank) een nadere onderbouwing had gegeven.
verhuur ?
aangemerkt ?
- de post “te verrekenen opbrengsten” gecorrigeerd met een bedrag van € 35.923,00 ten nadele van [geïntimeerde 1] en ten voordele van [appellant 1] (punt 4.8 en 4.9 van het tussenvonnis van 22 februari 2017);
- de post “indirecte kosten” gecorrigeerd met een bedrag van € 9.988,00 ten nadele van [geïntimeerde 1] en ten voordele van [appellant 1] als correctie vanwege te veel verrekende indirecte kosten (punt 4.20 en 4.21 van het tussenvonnis van 22 februari 2017);
- de overige in die afrekening opgenomen posten vastgesteld op de bedragen zoals in die afrekening opgenomen.
€ 155.189,00.
€ 155.189,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2012 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen in 3.5.3. Ook indien [appellant 1] geen afrekeningen heeft ontvangen, geldt dat [appellant 1] niet (voldoende) heeft betwist dat zij, nu haar accountant op 11 maart 2011 de gehele administratie van [geïntimeerde 1] had onderzocht, wist dat in de administratie van [geïntimeerde 1] niet de directe kosten die verband hielden met kentekens die in het samenwerkingsverband waren behandeld afzonderlijk terug te vinden waren gescheiden van de kosten van andere delen van de onderneming van [geïntimeerde 1] . Voorts geldt dat partijen op 31 oktober 2012 de afspraak hebben gemaakt dat de accountants van partijen, indien deze niet tot een gelijkluidende eindafrekening kunnen komen, gezamenlijk een deskundige zullen aanwijzen, ter vaststelling van bindende eindafrekening en in de afspraken van 31 oktober 2012 niet is overeengekomen dat alleen directe kosten die direct op een kenteken zouden zijn terug te voeren in de eindafrekening zouden mogen worden opgenomen. Zie hiervoor onder 3.5.3.
Het hof verwerpt het betoog van [appellant 1] dat de rechtbank met deze overweging buiten het partijdebat is getreden. [geïntimeerde 1] heeft er op gewezen dat de afspraken van 31 oktober 2012 een stappenplan aangeven ter uitvoering van de overeenkomst van 3 december 2010, waarin is afgesproken dat alle kosten van partijen worden meegerekend, met uitzondering van kosten die door een van partijen zijn gemaakt ten behoeve van diens persoonlijke vergoeding en persoonlijke huisvestingskosten.
Voor zover [appellant 1] betoogt dat er mogelijk ook nog andere activiteiten voor derden waren, die niet aan het samenwerkingsverband kunnen worden toegerekend, oordeelt het hof dat zij niet heeft onderbouwd welke mogelijke andere activiteiten zij bedoelt, hetgeen wel van [appellant 1] had mogen worden verwacht nu zij inzage heeft gekregen in de volledige administratie van [geïntimeerde 1] (zie hiervoor in 3.8.1.).
€ 36.565,00 geen rekening hoeft te worden gehouden in de eindafrekening. Volgens [appellant 1] moet worden uitgegaan van haar administratie nu [geïntimeerde 1] geen duidelijke onderbouwing heeft gegeven.
- € 35.923,00 post te verrekenen opbrengsten (r.o. 2.4. eindvonnis)
- € 9.988,00 post indirecte kosten (r.o. 2.4. eindvonnis)
- € 36.565,00 post debiteuren (hiervoor in r.o. 3.7.5)
- de post “te verrekenen opbrengsten” gecorrigeerd met een bedrag van € 35.923,00 ten nadele van [geïntimeerde 1] en ten voordele van [appellant 1] (punt 4.8 en 4.9 van het tussenvonnis van 22 februari 2017);
- de post “indirecte kosten” gecorrigeerd met een bedrag van € 9.988,00 ten nadele van [geïntimeerde 1] en ten voordele van [appellant 1] als correctie vanwege te veel verrekende indirecte kosten (punt 4.20 en 4.21 van het tussenvonnis van 22 februari 2017);
- de post debiteuren 31-12-2010 gecorrigeerd met een bedrag van € 36.565,00 ten nadele van [geïntimeerde 1] en ten voordele van [appellant 1] (punt 3.8.5. van dit arrest);
- de overige in die afrekening opgenomen posten vastgesteld op de bedragen zoals in die afrekening opgenomen.
4.De uitspraak
- de eindafrekening is vastgesteld met inachtneming van punt 2.4 van het eindvonnis (onder meer in het dictum onder 3.1);
- is bepaald dat partijen daaraan uitvoering moeten geven (onder meer in het dictum onder 3.2);
- [appellant 1] is veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] € 155.189,00 te betalen (onder meer in het dictum onder 3.6);
- [appellant 1] is veroordeeld in de proceskosten (onder meer in het dictum onder 3.9);
- stelt de eindafrekening van de samenwerking tussen partijen vast met in achtneming van hetgeen daarover is overwogen in 3.13.4. van dit arrest;
- bepaalt dat partijen uitvoering moeten geven aan deze vastgestelde eindafrekening en elkaar over en weer moeten factureren;
- veroordeelt [appellant 1] om aan [geïntimeerde 1] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, te betalen het bedrag van € 118.624,00 (zegge honderdachttien duizend zeshonderdvierentwintig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag te rekenen vanaf 31 oktober 2012 tot de dag van voldoening;
- compenseert de proceskosten uit de eerste aanleg tussen partijen in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt en de helft van de kosten van het deskundigenbericht;
- verklaart voornoemde veroordeling tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;