Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 14 januari 2020 waarbij het hof een comparitie van partijen na aanbrengen heeft bepaald;
- het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen van 4 februari 2020;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- het pleidooi van 2 juli 2021, waarbij partij [appellant] een pleitnota heeft overgelegd.
De beoordeling
Een stukje verderop stond een 2 paards vrachtwagen die stevig heen en weer bewoog.
Paard losgebroken uit wagen, over de stang gesprongen. Via achterdeurtje uit de wagen gekomen.(…)”. Daaruit valt niet af te leiden dat het deurtje van de paardenvrachtwagen open moet hebben gestaan toen [paard] uitbrak/sprong. Evenmin kan het hof uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd concluderen dat [paard] de sprong niet zou hebben gemaakt wanneer zij geen uitzicht had op een uitgang. Indien [appellant] deze conclusies ingang had willen doen vinden, had het op zijn weg gelegen om deze nader te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van de bevindingen van een terzake deskundige. Dat geldt temeer nu [geïntimeerde] al in eerste aanleg heeft betwist dat hij de deur van de paardenvrachtwagen open had laten staan, ter bevestiging waarvan hij in hoger beroep voornoemde verklaring heeft overgelegd.