De man heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin de kinderalimentatie voor zijn kind is vastgesteld op €244,- per maand. Hij verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beschikking, stellende dat hij financieel in nood verkeert en dat de alimentatiebetaling ten koste gaat van zijn andere kinderen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn financiële noodtoestand en dat de vrouw heeft betwist dat de man geen aanvullende inkomsten heeft. Het hof overweegt dat de belangen van het kind en de vrouw bij uitvoering van de beschikking zwaarder wegen dan het belang van de man bij schorsing.
Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen. Het hof benadrukt dat de beoordeling van de draagkracht en de inhoudelijke geschilpunten in de hoofdprocedure aan de orde zijn en dat de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing blijft bij het schorsingsverzoek.