Partijen waren in 2008 voornemens samen een nieuwe BV op te richten waarbij een bedrag van €18.000,- door de ene aandeelhouder (geïntimeerde) aan de andere (appellant) ter beschikking werd gesteld voor volstorting van aandelen. Dit bedrag werd op 13 januari 2009 overgemaakt met de omschrijving 'lening oprichting'.
De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een geldlening waarvan €9.000,- was terugbetaald en €9.000,- nog openstond. Appellant betwistte dit en voerde aan dat het resterende bedrag was voldaan via een bankrekening die altijd ten behoeve van geïntimeerde of diens oude BV was gebleven.
Het hof oordeelt dat de feiten wijzen op een overeenkomst van verbruiklening volgens het oude BW en dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat het resterende bedrag van €9.000,- is terugbetaald. De bankrekening waarop het bedrag zou zijn gestort stond op naam van een andere BV en is later overgedragen, waarbij de verrekening in de rekening-courant onvoldoende is gemotiveerd door appellant.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.