ECLI:NL:GHSHE:2021:2873

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 september 2021
Publicatiedatum
16 september 2021
Zaaknummer
200.287.268_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:432 BWArt. 1:448 BWArt. 1:449 BWArt. 1:451 BWArt. 1:461 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewind en mentorschap met ontslag huidige en benoeming nieuwe bewindvoerder en mentor

In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap over verzoeker heeft afgewezen.

Verzoeker stelt dat de noodzaak voor het bewind is verdwenen en dat hij zijn financiën zelf kan beheren. Tevens klaagt hij over de slechte verstandhouding met de bewindvoerder en mentor en zijn ontevredenheid over zijn woon- en zorgsituatie.

De bewindvoerder en mentor betoogt dat de beschermingsmaatregelen nog steeds noodzakelijk zijn, mede vanwege het ontbreken van zelfstandigheid en overzicht bij verzoeker, en dat een nieuwe CIZ-indicatie nodig is voor begeleid wonen.

Het hof oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat de oorzaken voor het bewind en mentorschap zijn weggevallen en bevestigt de beschikking van de rechtbank. Wel wordt ambtshalve ontslag verleend aan de huidige bewindvoerder en mentor vanwege de slechte samenwerking, en wordt een opvolger benoemd.

De jaarbeloning en aanvangswerkzaamheden van de nieuwe bewindvoerder en mentor worden vastgesteld conform de geldende regeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot voortzetting van bewind en mentorschap, ontslaat ambtshalve de huidige bewindvoerder en mentor en benoemt een opvolger.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 16 september 2021
Zaaknummer: 200.287.268/01
Zaaknummers eerste aanleg: 8472507 BM VERZ 20-190
8472540 MS VERZ 20-27
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: aanvankelijk mr. G. Tajjiou, thans zonder advocaat.
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
- [de bewindvoerder en mentor] BV, hierna te noemen de bewindvoerder en mentor.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 december 2020, heeft [verzoeker] verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en de verzoeken tot opheffing van het bewind en het mentorschap alsnog toe te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • [verzoeker] ;
  • [betrokkene] namens de bewindvoerder en mentor.
Als toehoorder was in de zittingzaal aanwezig [toehoorder] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlagen van de voormalige advocaat van [verzoeker] d.d. 15 januari 2021.
2.4.1.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van:
- een emailbericht met bijlage van de bewindvoerder/mentor van 9 augustus 2021;
- twee bereidverklaringen van de opvolgend bewindvoerder en mentor, ingekomen op
8 september 2021.

3.De beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 22 mei 2012, zo blijkt uit de stukken, zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] onder bewind gesteld en is een mentorschap over hem ingesteld.
Het hof beschikt niet over deze beschikking.
De bewindvoerder en mentor is [de bewindvoerder en mentor] BV.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, het verzoek van [verzoeker] om opheffing van het bewind en het mentorschap afgewezen.
3.3.
[verzoeker] kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
[verzoeker] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.
Er zijn voldoende gronden om tot opheffing van het bewind over te gaan. Er is geen noodzaak meer voor het bewind. De situatie van [verzoeker] is verbeterd en dit ligt niet alleen aan het bewind. Hij kan zijn financiën zelf beheren. Verder is de verstandhouding met de bewindvoerder niet goed. [verzoeker] lijdt onder het bewind. [verzoeker] woont al anderhalf jaar in de daklozenopvang. Hij heeft het daar niet naar zijn zin. [verzoeker] rookt soms weed. Hij krijgt geen fysiotherapie. De bewindvoerder/mentor doet te weinig voor hem.
3.5.
De bewindvoerder en mentor voert tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.
Bewindvoering en mentorschap zijn nog steeds noodzakelijk. [verzoeker] is nog niet in staat zijn zaken zelf te regelen. Zo heeft hij bij de ontruiming van zijn woning in 2018 niets gedaan om de schade te beperken. Hij kon het niet overzien. Door die ontruiming zijn er weer nieuwe schulden ontstaan. Het leefgeld wordt twee keer per week aan [verzoeker] uitgekeerd. Anders is het geld te snel op. [verzoeker] zit bij de daklozenopvang niet op zijn plek. Begeleid wonen zou beter bij hem passen. Daarvoor is een nieuwe CIZ-indicatie nodig. De bewindvoerder en mentor is bezig met het zoeken naar een nieuwe woning. [verzoeker] wil echter niet meewerken aan het krijgen van een nieuwe CIZ-indicatie. Hierdoor is er sprake van een impasse.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter (en in hoger beroep het hof) het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW Pro, alsmede ambtshalve.
Ingevolge artikel 1:462 lid 2 BW Pro kan de kantonrechter het mentorschap opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de mentor of degene die gerechtigd is het mentorschap te
verzoeken als bedoeld in artikel 1:451 BW Pro, alsmede ambtshalve.
3.6.2.
Het hof is van oordeel dat uit de processtukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende aannemelijk is geworden dat de oorzaken die destijds tot de onderbewindstelling en het mentorschap van [verzoeker] hebben geleid nu niet meer aanwezig zijn. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij in staat is zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk te behartigen. Hij heeft bijvoorbeeld geen medische stukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen. Enkel zijn mening dat hij zijn zaken zelf kan behartigen, is daartoe onvoldoende. Verder heeft [verzoeker] de punten die de bewindvoerder en mentor tijdens de mondelinge behandeling heeft aangestipt, en die erop duiden dat het bij [verzoeker] schort aan zelfstandigheid en overzicht, niet weersproken. De opgelegde beschermingsmaatregelen zijn dan ook nog steeds noodzakelijk. De grieven van [verzoeker] slagen dus niet. Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Wel is het hof van oordeel dat er sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1:448 lid 1 aanhef Pro en sub e en lid 2 BW en artikel 1:461 lid 1 aanhef Pro en sub e en lid 2 BW om de huidige bewindvoerder en mentor ambtshalve te ontslaan. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat er tussen [verzoeker] en de bewindvoerder en mentor geen goede en vruchtbare samenwerking meer bestaat. Het hof acht dit niet in het belang van [verzoeker] . Een frisse start met een nieuwe bewindvoerder en mentor acht het hof in het belang van [verzoeker] aangewezen.
3.6.3.
Het hof heeft een opvolgend bewindvoerder en mentor benaderd die bereid is om te worden benoemd. Deze heeft daartoe bereidverklaringen aan het hof overgelegd.
Nu ook overigens niet gebleken is van bezwaren tegen deze benoeming zal het hof dienovereenkomstig beslissen.
3.6.4.
Het hof zal de jaarbeloning van de te benoemen bewindvoerder en mentor, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, vaststellen overeenkomstig artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 2 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (basistarief).
Het hof zal de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de te benoemen bewindvoerder en mentor vaststellen overeenkomstig de in artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 5 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren opgenomen lage beloning voor aanvangswerkzaamheden.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van
28 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer;
verleent ambtshalve met ingang van 1 oktober 2021 aan [de bewindvoerder en mentor] BV ontslag als bewindvoerder over de goederen van [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats] , [adres] , [postcode] [woonplaats] , en ook ontslag als mentor;
benoemt met ingang van 1 oktober 2021 [opvolgend bewindvoerder en mentor] , geboren op
[geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , postbus [postbus] , [postcode] [plaats] , tot opvolgend bewindvoerder en mentor;
bepaalt dat de ontslagen bewindvoerder binnen twee maanden na de ingangsdatum van zijn ontslag, de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de opvolgend bewindvoerder en een
– zo mogelijk door de opvolgend bewindvoerder voor akkoord ondertekend – exemplaar
ervan aan het team Toezicht van de rechtbank Limburg overlegt,
bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder binnen vier maanden na de ingangsdatum van zijn benoeming een afschrift van de beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen aan het team Toezicht van de rechtbank Limburg overlegt;
stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder en mentor vast overeenkomstig artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 2 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;
stelt de beloning voor de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder en mentor vast overeenkomstig de in artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 5 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren opgenomen lage beloning;
bepaalt dat de mentor binnen een maand na het einde van zijn mentorschap schriftelijk verslag van de verrichte werkzaamheden doet aan de opvolgend mentor en een – zo mogelijk door de opvolgend mentor voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan het team Toezicht van de rechtbank Limburg overlegt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, H. van Winkel en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.