Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[De verdachte] ,
- brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was (feit 2 primair);
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 3), en
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 4).
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2019 tot en met 24 januari 2019 te Meerlo, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, die [het slachtoffer] te verwurgen, in elk geval uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals en/of nek van die [het slachtoffer] uit te oefenen en/of (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van die [het slachtoffer] (met een arm) af te klemmen;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2019 tot en met 24 januari 2019 te Meerlo, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer] te verwurgen, in elk geval uitwendig (samen)drukkend geweld op de hals en/of nek van die [het slachtoffer] uit te oefenen en/of (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van die [het slachtoffer] (met een arm) af te klemmen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
primair
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2019 tot en met 24 januari 2019 te Meerlo, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (chalet nummer 200, gelegen op camping 't Karrewiel), immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stof(fen) in/rondom die woning, ten gevolge waarvan die brandbare stof(fen) in/rondom die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de inboedel van die woning en/of van die van naastgelegen woningen, en/of levensgevaar voor een ander of anderen, onder wie [het slachtoffer] , te duchten was;
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2019 tot en met 24 januari 2019 te Meerlo, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een of meer brandbare stof(fen) in/rondom een woning (chalet nummer 200, gelegen op camping 't Karrewiel), ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat bovengenoemde woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de inboedel van die woning en/of van die van naastgelegen woningen, en/of levensgevaar voor een ander of anderen, onder wie [het slachtoffer] , te duchten was;
hij op of omstreeks 27 mei 2019 te Belfeld en/of Maashees en/of Wanssum, in elk geval in de gemeente Venlo en/of de gemeente Boxmeer en/of de gemeente Venray, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
hij op of omstreeks 27 mei 2019 te Maashees, in elk geval in de gemeente Boxmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3848 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
hij op 23 januari 2019 te Meerlo opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet die [het slachtoffer] te verwurgen, in elk geval (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van die [het slachtoffer] (met een arm) af te klemmen;
hij in de periode van 23 januari 2019 tot en met 24 januari 2019 te Meerlo, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (chalet nummer 200, gelegen op camping 't Karrewiel), immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof in die woning, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de inboedel van die woning, te duchten was;
hij op 27 mei 2019 te Belfeld en Maashees en Wanssum, opzettelijk aanwezig heeft gehad
hij op 27 mei 2019 te Maashees opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3848 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
- hij glazenwassers- en reinigingswerk doet;
- [een vriend] een kameraad is;
- als [het slachtoffer] onder invloed was dat hij dan met niemand rekening hield;
- dat hij met [betrokkene 1] had besproken dat alles via de politie moest lopen omdat hij niet het risico wilde lopen dat hij zijn zoontje niet meer zou mogen zien;
- hij al jaren aan het vechten is om zijn zoontje te kunnen zien (dossierpagina 87 e.v.).
De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 31 augustus 2021, voor zover onder ‘verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep’ is weergegeven en voor zover inhoudende:
Een ander geschrift, te weten een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood d.d. 28 mei 2019, opgemaakt door dr. H.H. de Boer, arts en forensisch patholoog (dossierpagina’s 1.177-1.189), voor zover inhoudende:
dossierpagina 1.179)
dossierpagina 1.182)
dossierpagina 1.183)
Het proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek en benoeming DNA-deskundige d.d. 25 januari 2018 (het hof begrijpt: 2019) (dossierpagina’s 1.149 en 1.150), voor zover inhoudende:
dossierpagina 1.149)
Een ander geschrift, te weten het rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een ongeïdentificeerde persoon in Venlo op 24 januari 2019 d.d. 28 januari 2019, opgesteld door ing. J.L.W. Dieltjes (dossierpagina’s 1.128 en 1.1.29), voor zover inhoudende:
dossierpagina 1.128)
dossierpagina 1.129)
Het proces-verbaal identificatie d.d. 28 januari 2019 (dossierpagina 1.127), voor zover inhoudende:
Het standpunt van de advocaat-generaal
De verweren van de verdediging
Vrijspraak van het tenlastegelegde bestanddeel ‘met voorbedachten rade’
Overwegingen ten aanzien van de verklaring van de verdachte
Bewijsoverweging ad 1: het causaal verband
Bewijsoverweging ad 2: het (voorwaardelijk) opzet
Conclusie
Verweren van de verdediging
- primair aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, waartegen hij zich mocht verdedigen. De verdachte dient om die reden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;
- subsidiair, als het hof het handelen van de verdachte als disproportioneel kwalificeert, een beroep gedaan op intensief noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte in acute doodsangst verkeerde, waardoor hij zich verdedigde zoals hij deed en [het slachtoffer] net zo lang vasthield tot hij stopte met steken en tot het levensgevaar was geweken;
- meer subsidiair, als het hof van oordeel is dat de noodzaak tot verdediging op enig moment tijdens het aanzetten van de nekklem niet meer bestond omdat het gevaar zou zijn geweken, een beroep gedaan op extensief noodweerexces. De verdachte heeft het zekere voor het onzekere genomen en heeft [het slachtoffer] pas losgelaten toen hij voelde dat [het slachtoffer] slap werd en geen dreiging meer vormde.
Met betrekking tot het beroep op noodweer
Met betrekking tot het beroep op noodweerexces
doodslag.
- het feit dat de verdachte uiteindelijk volledige openheid van zaken heeft gegeven over wat er zich de bewuste avond in het chalet heeft afgespeeld;
- de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen;
- het opgemaakte Pro Justitia-rapport;
- het feit dat de verdachte nog altijd contact heeft met [de kinderen van het slachtoffer] (
- de psychologische rapportage d.d. 8 augustus 2019, opgemaakt door psycholoog drs. J.P.M. van der Leeuw;
- de reclasseringsrapportage d.d. 4 mei 2020, opgemaakt door de heer W.M.G.M. van Kempen;
- de psychiatrische rapportage d.d. 14 juni 2021, opgemaakt door psychiater J.L.M. Dinjens;
- de psychologische rapportage d.d. 8 juli 2021, opgemaakt door psycholoog dr. W.F. van Kordelaar.
hierna telkens: de VI-regeling). De verdediging heeft in dit verband onder meer gewezen op het feit dat het bewezenverklaarde is begaan ruim vóór de inwerkingtreding van de wet (januari 2019) en de tijd die is verstreken sinds het vonnis (juli 2020), terwijl het dossier qua omvang beperkt is en de uitgevoerde onderzoekshandelingen in hoger beroep zeer beperkt van aard waren.
€ 385,00+
€ 8,45+
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
€ 8.717,95+
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren;
Vordering van [de benadeelde partij 1]
€ 20.090,00 (twintigduizend negentig euro) bestaande uit € 90,00 (negentig euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade;
Vordering van [de benadeelde partij 2]
€ 22.831,06 (tweeëntwintigduizend achthonderdeenendertig euro en zes cent) bestaande uit
Vordering van [de benadeelde partij 3]
€ 8.717,95 (achtduizend zevenhonderdzeventien euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade;