In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg bevestigd waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €57.696,- als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplichtigheid aan een overtreding van de Opiumwet.
De verdediging voerde aan dat de wijze van beslaglegging en de tenuitvoerlegging daarvan schade heeft veroorzaakt die groter is dan het verkregen voordeel, en dat dit tot matiging of nihilstelling van de betalingsverplichting zou moeten leiden. Het hof verwierp deze stellingen omdat de schade niet direct samenhangt met het strafbare feit, maar met de beslaglegging zelf, en dat civiele procedures de juiste weg zijn voor dergelijke claims.
Ook een beroep op betalingsonmacht werd verworpen omdat onvoldoende aannemelijk is dat betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft. Het hof wees verder het subsidiaire verzoek om een lagere betalingsverplichting af.
Ten slotte bepaalde het hof op grond van de nieuwe wettelijke regeling de maximale duur van de gijzeling die kan worden gevorderd op 1080 dagen, gebaseerd op het bedrag van de betalingsverplichting.
De uitspraak werd gedaan door mr. P.T. Gründemann, mr. B. Stapert en mr. J.J.J. Wubben, waarbij laatstgenoemde niet kon medeondertekenen.