Belanghebbende deed op 14 december 2018 aangifte dividendbelasting, maar betaalde deze niet tijdig. De inspecteur legde op 24 mei 2019 een naheffingsaanslag op, inclusief een verzuimboete van €2.116 en belastingrente van €1.222. Belanghebbende betaalde de belasting op 25 mei 2019 en de boete en rente op 30 mei 2019.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de naheffingsaanslag, boete en rente, stellende dat er geen opzet was en dat de boete en rente onterecht waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het hof oordeelt dat de verzuimboete terecht is opgelegd op grond van artikel 67c AWR en het beleid van de Belastingdienst, ook omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle redelijkerwijs te vergen zorg heeft betracht. De belastingrente is volgens het hof correct berekend en vormt geen boete, maar compensatie voor het ter beschikking hebben van overheidsgelden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.