In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind bij de vader verlengde. De minderjarige staat sinds november 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en is sinds mei 2020 uit huis geplaatst bij de vader.
De moeder stelt dat de uithuisplaatsing bij haar had moeten plaatsvinden, omdat zij aan de voorwaarden voor terugplaatsing heeft voldaan, waaronder het opruimen van haar woning en het volgen van een psychologisch traject. Uit een recent GGZ-intakegesprek blijkt dat zij geen psychische beperkingen heeft. De GI en de vader betwisten echter dat de moeder op dit moment voldoende stabiliteit kan bieden.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor de uithuisplaatsing zijn voldaan en dat het belang van de minderjarige bij de huidige situatie blijft. De ontwikkeling van het kind verloopt positief bij de vader en stiefmoeder, en het is niet wenselijk om de leefsituatie kort voor de einddatum van de machtiging ingrijpend te wijzigen. Daarom worden de grieven van de moeder verworpen en wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.