In deze zaak staat de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen centraal. De kinderen zijn sinds augustus 2020 uit huis geplaatst in een 24-uurs zorgaccommodatie vanwege een ontwikkelingsbedreiging. De moeder is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan en betwist dat aan de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing is voldaan.
De moeder voert aan dat het vermoeden van ouderverstoting is weggenomen en dat het ontbreken van een gezamenlijk ouderschapsplan geen grond is voor voortzetting van de uithuisplaatsing. Zij benadrukt dat de kinderen lijden onder de uithuisplaatsing en dat ambulante hulpverlening volstaat. De gecertificeerde instelling (GI) stelt daartegenover dat de kinderen zorgwekkend gedrag vertonen, een loyaliteitsconflict hebben en dat de hulpverlening complex is, waardoor voortzetting in een neutrale setting noodzakelijk is.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing zijn vervuld. De kinderen vertonen zorgwekkend gedrag en het contact met de vader verloopt moeizaam sinds onbegeleid contact met de moeder. De hulpverlening moet worden voortgezet vanuit het gezinshuis en ambulante hulpverlening is onvoldoende. Het hof verklaart het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring niet-ontvankelijk en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 24 juni 2021, waarmee de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd.