De vrouw verzocht het hof om de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank te schorsen, voor zover daarin het huurrecht van de echtelijke woning aan de man was toegekend. De rechtbank had bij beschikking van 29 juli 2021 de echtscheiding uitgesproken en het huurrecht aan de man toegekend, met een termijn van één maand voor de vrouw om andere woonruimte te vinden.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de vrouw de woning inmiddels had verlaten en de man de sloten had vervangen. Beide partijen gingen er ten onrechte van uit dat de vrouw binnen een maand na de beschikking de woning moest verlaten. Het hof wees erop dat het huurrecht als nevenvoorziening bij echtscheiding niet eerder kan ingaan dan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Omdat de echtscheidingsbeschikking nog niet was ingeschreven, was het toegekende huurrecht nog niet daadwerkelijk uitvoerbaar en kon het verzoek tot schorsing niet worden toegewezen. Het hof wees het verzoek af en compenseerde de proceskosten in het incident, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.