ECLI:NL:GHSHE:2021:3120
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering toelating schuldsaneringsregeling met ambtshalve toepassing hardheidsclausule
De appellant verzocht de rechtbank Limburg om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank baseerde haar oordeel vooral op een preferente belastingschuld, een grote schuld aan een schuldeiser en een schuld aan ING Bank vanwege creditcardgebruik, waarbij werd aangenomen dat appellant niet te goeder trouw was. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onjuiste maatstaven hanteerde, onvoldoende motiveerde en dat hij wel te goeder trouw was geweest, mede gezien zijn ondernemerschap en omstandigheden.
Het hof oordeelde dat appellant niet volledig te goeder trouw was geweest, onder meer vanwege het aangaan van de creditcardschuld met de intentie deze niet te kunnen aflossen en het ontbreken van volledige jaarstukken. Wel achtte het hof aannemelijk dat appellant de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid inmiddels duurzaam onder controle heeft en dat er sinds het staken van zijn onderneming geen nieuwe schulden zijn ontstaan.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees alsnog de toelating tot de schuldsaneringsregeling toe, met toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Het hof gaf ook aan dat appellant een saneringsgezinde houding heeft en voldoende inzicht in zijn financiële situatie.
De uitspraak werd gedaan door het hof 's-Hertogenbosch op 14 oktober 2021, waarbij tevens de griffier van het hof opdracht kreeg de rechtbank Limburg te informeren over de benoeming van een rechter-commissaris en bewindvoerder.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toe met toepassing van de hardheidsclausule.