Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd waarbij [appellante] in staat van faillissement was verklaard. Het faillissement was aangevraagd door vier schuldeisers die vorderingen op [appellante] stelden, maar het hof oordeelde dat deze vorderingen onvoldoende waren onderbouwd.
In hoger beroep stelde [appellante] dat de vorderingen betrekking hadden op haar zoon en diens eenmanszaak, en dat zij niet aansprakelijk was voor deze schulden. Ook voerde zij aan dat de akten van schuldoverneming niet rechtsgeldig waren, mede vanwege dwang en het ontbreken van wilsovereenstemming. De geïntimeerden betwistten dit en stelden dat er sprake was van schuldbekentenis en gerechtvaardigd vertrouwen.
Het hof beoordeelde dat het faillissementsproces geen uitgebreid feitenonderzoek vereist, maar dat de vorderingen summierlijk moeten zijn vastgesteld. De vorderingen van de aanvragers bleken niet voldoende onderbouwd, mede omdat transacties en facturering plaatsvonden via de eenmanszaak van de zoon van [betrokkene 4]. Het gerechtvaardigd vertrouwen van de schuldeisers werd door het hof niet aanvaard vanwege de verschillende juridische entiteiten en handelsnamen.
Daarom vernietigde het hof het faillissementsvonnis en wees het verzoek tot faillietverklaring af. De kosten van het faillissement werden ten laste van [appellante] gebracht.