In deze zaak staat het verzoek van de vader centraal om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige kind, terwijl de moeder het eenhoofdig gezag heeft. De rechtbank had het gezamenlijk gezag toegewezen, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep omdat zij vreest dat dit het welzijn van het kind en haar eigen emotionele stabiliteit schaadt.
De moeder voert aan dat het gezamenlijk gezag en omgang met de vader paniek- en depressieve klachten bij haar veroorzaken, wat nadelig is voor het kind. De gecertificeerde instelling (GI) en betrokken hulpverleningsinstanties bevestigen de precaire situatie en adviseren het BOR-traject af te wachten. De vader benadrukt het belang van gezamenlijk gezag als eerste stap om een rol in het leven van het kind te spelen en is bereid om rekening te houden met de moeder.
Het hof constateert dat het BOR-traject nog in een opstartfase is en acht het daarom niet passend om op dit moment een definitieve beslissing over het gezag te nemen. De procedure wordt daarom pro forma aangehouden tot 1 maart 2022, waarbij ouders en GI worden verzocht zich uit te laten over het verloop van het traject en de gevolgen voor de procedure.
Deze beslissing beoogt het belang van het kind te waarborgen door zorgvuldig de ontwikkelingen in het BOR-traject af te wachten voordat het gezag definitief wordt vastgesteld.