Uitspraak
,
5.Het verdere verloop van het geding
6.De verdere beoordeling
€ 1.842,34+
€ 53.896,--/-
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond een vordering van een verhuurder tegen een huurder centraal over de afrekening van huur en bijkomende kosten zoals gas, water en licht over de periode van mei 2013 tot en met maart 2019. Het hof stelde vast dat de huurder een totaalbedrag van €53.896,- had betaald, waarvan €53.250,- huur en onkostenvergoeding betrof. Het resterende bedrag voor gas, water en licht moest nog worden vastgesteld.
De verhuurder had onvoldoende inzicht gegeven in de berekening van de kosten voor gas, water en licht die exclusief aan de huurder toerekenbaar waren. Ondanks een gelegenheid om dit te verduidelijken, bleef de onderbouwing gebrekkig en tegenstrijdig. De huurder betwistte de vordering en stelde dat de berekeningen niet klopten en niet met bewijs waren onderbouwd.
Het hof oordeelde dat de verhuurder niet voldeed aan zijn stelplicht en dat de vordering niet toewijsbaar was. Er werd geen schatting naar billijkheid gemaakt omdat het ging om nakoming van afspraken en niet om schadevergoeding. Het hof bekrachtigde het eerdere verzetvonnis en veroordeelde de verhuurder in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van de verhuurder wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de kostenafrekening.