ECLI:NL:GHSHE:2021:3157

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 oktober 2021
Publicatiedatum
19 oktober 2021
Zaaknummer
200.277.573_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken belang na meerderjarigheid

In deze civiele zaak stond de ontvankelijkheid van appellante in hoger beroep centraal. Appellante had hoger beroep ingesteld tegen de moeder als wettelijk vertegenwoordiger van haar dochter, terwijl de dochter op het moment van het hoger beroep meerderjarig was geworden. Het hof heeft onderzocht of appellante zich bewust had kunnen zijn van de meerderjarigheid van de dochter.

Appellante stelde dat zij niet wist en ook niet hoefde te weten dat de dochter al meerderjarig was geworden vóór het vonnis van eerste aanleg. De wettelijk vertegenwoordiger betoogde dat appellante wel degelijk bekend was met de leeftijd en verjaardag van de dochter en dat het beroep op niet-ontvankelijkheid niet in strijd was met de goede procesorde.

Het hof overwoog dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet wist of redelijkerwijs niet kon weten dat de dochter meerderjarig was. De geboortedatum van de dochter was immers bekend en in eerdere stukken vermeld. Het hof verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad die geen ruimte laat voor belangenafweging of herstel van de procedurefout door alsnog betrekken van de inmiddels meerderjarige partij.

Daarom verklaarde het hof appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en veroordeelde haar in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens ontbreken van belang na meerderjarigheid van de dochter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.277.573/01
arrest van 19 oktober 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
verder: [appellante] ,
advocaat: mr. A. van den Eshoff te Sittard,
tegen:
[wettelijk vertegenwoordiger/moeder],
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[dochter],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
verder: [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] ,
advocaat: mr. R. Schoonbrood te Sittard,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 27 juli 2021 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 7664134 \ CV EXPL 19-2334 tussen partijen gewezen vonnis van 4 december 2019.

5.Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 27 juli 2021;
  • de akte van [appellante] van 24 augustus 2021 met een productie;
  • de antwoordakte van [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] van 21 september 2021.
Partijen hebben arrest gevraagd.

6.De verdere beoordeling

Ontvankelijkheid
6.1
Zoals in het tussenarrest van 27 juli 2021 vermeld, heeft [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] in haar memorie van antwoord allereerst aangevoerd dat [appellante] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar hoger beroep, omdat zij dit heeft ingesteld tegen [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [dochter] terwijl [dochter] op dat moment niet langer minderjarig was. Omdat [appellante] hier nog niet op had kunnen reageren, heeft het hof de zaak naar de rol verwezen om [appellante] in de gelegenheid te stellen bij akte in te gaan op dit beroep op niet-ontvankelijkheid en op de daarbij overgelegde productie. [appellante] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd. Het hof zal een en ander bespreken tegen de achtergrond van de maatstaf die in het tussenarrest is opgenomen (r.o. 3.9).
6.2
In haar akte heeft [appellante] aangevoerd dat zij niet wist en behoefde te weten dat [dochter] op 7 oktober 2019 18 jaar geworden was, twee maanden voor de datum van het vonnis van 4 december 2019. [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] heeft daar niet op gewezen, ook niet nadat het vonnis was gewezen en [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] via haar advocaat op naleving ervan heeft aangedrongen. Ook [dochter] heeft voor de dag van de appeldagvaarding niet te kennen gegeven dat de wettelijke vertegenwoordiging door haar moeder was geëindigd, aldus [appellante] . Dat in een verklaring van [dochter] die in eerste aanleg is overgelegd haar geboortedatum stond is aan [appellante] voorbijgegaan, terwijl ook het feit dat zij eens voor de verjaardag van [dochter] is uitgenodigd niet meebrengt dat zij zich ervan bewust was wanneer [dochter] meerderjarig zou worden. Ook acht [appellante] het beroep op niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van belang in strijd met de goede procesorde. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is [dochter] de materiële partij die ook van de gang van zaken op de hoogte was. Indien nodig zou [appellante] in de gelegenheid willen worden gesteld op [dochter] alsnog in de procedure op te roepen.
6.3
[wettelijk vertegenwoordiger/moeder] heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat [appellante] bekend was met de leeftijd en de datum van de verjaardag van [dochter] , zodat zij wist of in ieder geval kon weten wanneer [dochter] meerderjarig werd. [appellante] hoefde daar niet door [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] of [dochter] op gewezen te worden, aldus [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] . Het beroep op niet-ontvankelijkheid is volgens [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] niet in strijd met de goede procesorde te achten en voor een belangenafweging is geen plaats, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE9242). Juist het nog buiten de appeltermijn in de procedure betrekken van [dochter] is volgens [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] in strijd met de goede procesorde.
6.4
Het hof overweegt hierover het volgende. Door [appellante] is niet aannemelijk gemaakt dat zij niet wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat [dochter] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep meerderjarig was geworden. [appellante] was immers bekend met de leeftijd en de datum van de verjaardag van [dochter] , terwijl haar geboortedatum is vermeld in een verklaring van haar die in eerste aanleg is overgelegd (zie HR 5 februari 1971,NJ 1971/209). Indien [appellante] zich daar niet bewust van was, verandert dat hier niets aan. Het was ook niet aan [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] en/of [dochter] om haar hierop te attenderen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, waar [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] naar verwijst, blijkt dat in een geval als dit geen plaats is voor een belangenafweging en voor het alsnog buiten de appeltermijn in rechte betrekken van een inmiddels meerderjarig geworden materiële procespartij. Voor herstel van de gemaakte fout, door het alsnog in de procedure oproepen van [dochter] , bestaat geen ruimte, zodat [appellante] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar hoger beroep.
Conclusie
6.5
Op grond van het voorgaande zal [appellante] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van 4 december 2019. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

7.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 4 december 2019;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [wettelijk vertegenwoordiger/moeder] begroot op € 332,- aan griffierecht en op € 1.671,- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, P.S. Kamminga en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 oktober 2021.
griffier rolraadsheer