ECLI:NL:GHSHE:2021:3199
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek provisionele voorziening kinderalimentatie bij co-ouderschap
Partijen, voormalige partners met twee minderjarige kinderen, zijn in een procedure verwikkeld over kinderalimentatie na hun relatiebeëindiging in december 2020. De kinderen verblijven om en om een week bij elk van hen. De vrouw verzocht bij de rechtbank om een provisionele voorziening voor kinderalimentatie, welke deels werd toegewezen.
De man kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid van die beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling trok hij het verzoek tot schorsing in, waardoor dit verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hof beoordeelde vervolgens het verzoek tot provisionele voorziening inhoudelijk.
De vrouw stelde dat haar minimale inkomen en de behoefte van de kinderen een spoedeisend belang vormden voor een voorlopige onderhoudsbijdrage. De man stelde dat de kinderen niets tekortkomen door de co-ouderschapsregeling en de bijdragen van beide ouders en grootouders, en dat de vrouw geen spoedeisend belang had aangetoond.
Het hof concludeerde dat de vrouw onvoldoende belang had bij de voorlopige voorziening, mede gelet op haar recente inkomensverbetering en het ontbreken van relevante bescheiden die haar stellingen ondersteunen. De zorgregeling en de bijdragen van de man dekken reeds een substantieel deel van de kosten. Het verzoek tot provisionele voorziening werd daarom afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening voor kinderalimentatie af en verklaart het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk.