Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-\ rolnummer 8023583 \ CV EXPL 19-8558)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 23 april 2020 met grieven en producties 1 en 2;
- het exploot van anticipatie van 30 april 2020;
- de memorie van antwoord van 12 mei 2020 met productie 10;
- het H2-formulier van 21 december 2020, waarbij mr. R. Janssen zich als advocaat van [appellant] aan de zaak heeft onttrokken, en heeft meegedeeld dat hij zijn cliënt op 4 december 2020 heeft geïnformeerd over de gevolgen daarvan;
- de rolkaart, waaruit blijkt dat zich namens [appellant] geen nieuwe advocaat heeft gesteld.
3.De beoordeling
- Bij huurovereenkomst van 16 november 2017 heeft Woonpartners de woning aan de [adres] te [plaats] per 16 november 2017 verhuurd aan [appellant] .
- Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden voor woonruimte van Woonpartners van 1 mei 2017 van toepassing.
- Op blz. 1 van de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- Voorkomen van terugval op het gebied van verslaving.
- Ondersteuning op het gebied van post en administratie.
- Ondersteuning bij het regelen van zaken, zoals verzekeringen en gas, water en elektra.
- Voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan.
- Structuur aanbrengen in het huishouden.
- Structuur krijgen in het dagelijks teven.
- Begeleiden naar dagbesteding.
- Bij verzoekschrift van 11 april 2019 heeft [bewindvoerder] een verzoek tot ontslag van haar als bewindvoerder ingediend in verband met de persoonlijke bedreiging van de bewindvoerder door [appellant] . Bij beschikking van 3 juli 2019 heeft de rechtbank het bewind over de goederen van [appellant] opgeheven per 16 juli 2019. De rechtbank heeft in de beschikking overwogen dat het niet verstandig lijkt om het bewind op te heffen maar dat [appellant] geen andere bewindvoerder wil accepteren en opheffing van het bewind wenst, zodat voortzetting van het bewind niet zinvol is.
- De maandelijkse huurprijs is met ingang van 1 juli 2017 geïndexeerd tot € 531,00.
- De maandelijkse huurprijs is met ingang van 1 juli 2018 geïndexeerd tot € 534,44.
- De maandelijkse huurprijs is met ingang van 1 juli 2019 geïndexeerd tot € 543,47.
- [appellant] heeft in het voorjaar van 2018 een huurachterstand van € 2.124,-- laten ontstaan (vier maanden maal € 531,--). Op 29 oktober 2018 hebben partijen een betalingsregeling getroffen voor die huurachterstand. De betalingsregeling hield in dat het bedrag in maandelijkse termijnen van € 25,-- zou worden afgelost.
- In de periode van eind november 2018 tot eind juni 2019 (acht maanden) heeft [appellant] op grond van de betalingsregeling acht keer € 25,--, dus in totaal € 200,--, betaald. Nadien heeft [appellant] geen betalingen van € 25,-- meer gedaan.
- Met ingang van augustus 2019 heeft [appellant] de maandelijkse huur onbetaald gelaten met dien verstande dat [appellant] op 2 september 2019 nog één huurtermijn van € 543,47 aan Woonpartners heeft voldaan.
- Bij brief van 19 augustus 2019 heeft Woonpartners, kort gezegd, [appellant] gesommeerd om de achterstallige huur te voldoen.
- ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 3.010,94 aan achterstallige huur over de periode tot en met september 2019, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van de huur van € 543,47 per maand vanaf 1 oktober 2019 tot aan de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van een schadevergoeding van € 543,47 per maand vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst tot de datum van de ontruiming, vermeerderd met wettelijke rente;
- Woonpartners vordert na vermeerdering van eis ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, veroordeling van [appellant] tot betaling van een huurachterstand van € 4.641,35 en tot betaling van huur dan wel schadevergoeding tot de dag van de ontruiming, een en ander vermeerderd met rente en kosten (rov. 3.1).
- [appellant] heeft op de zitting van 8 januari 2020 erkend dat de huurachterstand over de periode tot en met januari 2020 € 4.641,35 bedraagt. Deze hoofdsom kan daarom worden toegewezen (rov. 4.1).
- [appellant] heeft zich niet gehouden aan de aanvullende voorwaarde uit de huurovereenkomst om zich te laten begeleiden (rov. 4.2).
- De woning en de tuin zijn sterk vervuild. [appellant] had ervoor moeten zorgen dat spullen als stoelen, koelkast, vuilniszakken, hout en houten platen niet in de tuin gestald werden (rov. 4.3).
- [appellant] schendt zijn verplichting om zijn hoofdverblijf te hebben in het gehuurde (rov. 4.4).
- Op de vier genoemde punten (tijdige betaling van huur, meewerken aan begeleiding, geen overlast veroorzaken, hoofdverblijf) is sprake van tekortkomingen van [appellant] in de nakoming van de huurovereenkomst. De tekortkomingen rechtvaardigen gezamenlijk maar ook ieder afzonderlijk de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde (rov. 4.5).
- de huurovereenkomst ontbonden;
- [appellant] veroordeeld om de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
- [appellant] veroordeeld om aan Woonpartners € 4.641.35 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 september 2019;
- [appellant] veroordeeld tot betaling van € 543,47 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [appellant] de woning vanaf 1 februari 2020 in gebruik heeft tot aan de ontruiming, vermeerderd met wettelijke rente;
- afwijzing van de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en van de vordering tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellant] om aan Woonpartners € 2.173,88 te betalen te zake huurachterstand tot 1 maart 2020;
- afwijzing van de vorderingen van Woonpartners voor het overige;