Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding
2.Het geding in de herroepingsprocedure
- de dagvaarding van 25 januari 2021 met producties;
- de conclusie van antwoord van 16 maart 2021 met producties;
- de conclusie van repliek van 18 mei 2021 met producties;
- de conclusie van dupliek van 29 juni 2021 met producties;
- de schriftelijke toelichting van de zijde van de vrouw van 14 september 2021;
- de schriftelijke toelichting van de zijde van de man van 14 september 2021 met producties.
hofstelt vast dat niet is gebleken dat de advocaat van de man zijn schriftelijke toelichting wél (tijdig) aan de advocaat van de vrouw heeft verzonden. Dit betekent dat aan de zijde van de man sprake is van schending van art. 11.3, bijlage III van het procesreglement. Het hof zal daarom het verzoek van de advocaat van de vrouw om de schriftelijke toelichting te weigeren, toewijzen. Dit leidt ertoe dat het hof de schriftelijke toelichtingen van partijen niet bij zijn beoordeling zal betrekken.
3.De beoordeling
manheeft aan zijn vordering tot herroeping en de in rov. 3.1.3. overige onder 1 tot en met 5 omschreven vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
vrouwheeft de vorderingen van de man weersproken.
Hij (hof: de man) zei ook dat dat hij nooit de claim bij … (naam wederpartij man in die procedure) had moeten neerleggen, omdat het misbruik nooit had plaatsgevonden, althans niet door de pastoor”.
conclusie van repliekstelt de
manover de ontvankelijkheid het volgende.
conclusie van dupliekstelt de
vrouwover de ontvankelijkheid van de man dat de termijn van drie maanden ex art. 383 Rv Pro is overschreden vanwege i) de in 2017 al afgeronde procedure bij het hof waarvan het arrest op 7 februari 2018 in kracht van gewijsde is gegaan en ii) de man de kwestie van de herroeping ook al aan de rechtbank Limburg heeft voorgelegd. Daarnaast stelt zij dat de man in de proceskosten dient te worden veroordeeld (randnr. 10). Zij licht haar conclusie van dupliek als volgt toe.
hofoverweegt als volgt.
hofis van oordeel dat die stelling feitelijke grondslag mist. Het hof baseert dit oordeel op de volgende feiten en omstandigheden. Allereerst zijn de producties waar de man een beroep op doet niet overgelegd (prod. 2 bij dagvaarding hof) zodat de juistheid van zijn stelling niet kan worden vastgesteld. Bovendien is zijn stelling tegenstrijdig aan zijn bij de rechtbank Limburg ingenomen stellingen. Ten slotte heeft de man geen verklaring gegeven voor die innerlijk tegenstrijdige stellingen.
is tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 18 december 2019 naar voren gekomen dat [de vrouw] aantoonbaar heeft gelogen(onderstreping hof) bij de hoger beroepsprocedure bij het Hof te ’s-Hertogenbosch. Immers, uit de voorlopige getuigenverhoren – waarbij [de vrouw] eveneens als getuige is gehoord – is gebleken dat [de vrouw] wèl afwist van verzoekers psychische problematiek – en geestelijke stoornis – zodat zij zich ten onrechte heeft beroepen op de vertrouwensbescherming ex artikel 3:35 BW Pro”