ECLI:NL:GHSHE:2021:3357

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
9 november 2021
Zaaknummer
200.293.408_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BWArt. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot partiële verdeling nalatenschap in kort geding

Partijen zijn erfgenamen van een nalatenschap bestaande uit registergoederen en certificaten van aandelen in een besloten vennootschap. Appellanten vorderden in kort geding dat geïntimeerde zou meewerken aan de verdeling van de nalatenschap, omdat geïntimeerde de verdeling zou tegenwerken om zeggenschap te behouden.

De voorzieningenrechter wees deze vorderingen af wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat een partiële verdeling niet in kort geding kan worden toegewezen. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de verdeling van een nalatenschap een definitieve beslissing is die aan de bodemrechter is voorbehouden volgens artikel 3:185 BW Pro.

Het hof constateert dat appellanten inmiddels een bodemprocedure zijn gestart, wat de juiste weg is. De grieven tegen het oordeel van de voorzieningenrechter worden verworpen en het vonnis van 6 april 2021 wordt bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd vanwege de familierelatie tussen partijen.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot partiële verdeling van de nalatenschap in kort geding af en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.293.408/01
arrest van 9 november 2021
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend te [woonplaats] (België) ,

2. [appellant 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

3. [appellant 3] ,

wonend te [woonplaats] ,

4. [appellant 4] ,

wonend te [woonplaats] ,

5. [appellant 5] ,

wonend te [woonplaats] ,
appellanten,
verder: [appellanten] ,
advocaat mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,
tegen:
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] (België) ,
geïntimeerde,
verder: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.J.M.C. Huppertz te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 april 2021 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis in kort geding van 6 april 2021 tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/288593 / KG ZA 21-66)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 21 april 2021 met grieven en producties;
  • de schriftelijke conclusie van eis van 4 mei 2021;
  • de aktes en H-formulieren van partijen van 1 juni 2021 en 20 juli 2021 over een mondelinge behandeling na aanbrengen dan wel meditation (niet doorgegaan);
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 31 augustus 2021 met producties.
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

Bevoegdheid/toepasselijk recht
3.1
Appellante onder 1 en geïntimeerde wonen in België, zodat het geschil internationale aspecten heeft. De voorzieningenrechter is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
De feiten
3.2
De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling houdt het volgende in:
Partijen zijn de erfgenamen van de op 26 juni 2019 overleden erflaatster
[erflaatster] (verder: erflaatster).
Appellanten onder 1 tot en met 3 zijn dochters en geïntimeerde is een zoon van erflaatster; zij erven ieder 1/5e deel van de nalatenschap.
Appellanten onder 4 en 5 zijn kinderen van een vooroverleden zoon van erflaatster; zij erven ieder 1/10e deel.
Alle erfgenamen hebben de erfenis zuiver aanvaard.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoren in ieder geval een achttiental registergoederen, alsmede 5.000 certificaten van aandelen in de besloten vennootschap [geïntimeerde] BV. Naast deze 5.000 certificaten zijn in het verleden nog 2.040 certificaten uitgegeven, die worden gehouden door [geïntimeerde] .
De procedure in eerste aanleg
3.3
Bij dagvaarding van 22 februari 2021 hebben [appellanten] dit kort geding tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. Hierin stellen zij dat [geïntimeerde] de verdeling van de nalatenschap van erflaatster tegenwerkt omdat hij daardoor de zeggenschap zou kunnen verliezen binnen de STAK (stichting administratiekantoor) van [geïntimeerde] BV waarin hij het nu alleen voor het zeggen heeft. Bij een evenredige verdeling van de certificaten zouden [appellanten] gezamenlijk over 4.000 certificaten beschikken en [geïntimeerde] over 3.040 certificaten. Ondanks verschillende pogingen van [appellanten] om in onderling overleg tot een afwikkeling van de nalatenschap te komen, weigert [geïntimeerde] iedere medewerking daaraan. Zij behoeven echter niet in een onverdeelde boedel te blijven (artikel 3:178 BW Pro), aldus [appellanten] Op grond daarvan vorderen zij, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot medewerking aan de verdeling van de 5.000 certificaten STAK aandelen [geïntimeerde] BV en aan het te koop zetten van de 18 registergoederen, een en ander op verbeurte van een dwangsom en onder de voorwaarden als in de dagvaarding nader omschreven.
3.4
[geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellanten] bestreden. Volgens hem ontbreekt het vereiste spoedeisend belang daarbij en lenen de vorderingen zich niet voor behandeling in kort geding. Ook betwist [geïntimeerde] dat hij niet meewerkt aan de verdeling van de nalatenschap. De vorderingen zoals deze zijn ingesteld, zijn volgens [geïntimeerde] ongegrond.
3.5
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft op 25 maart 2021 plaatsgevonden. Bij vonnis van 6 april 2021 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen geheel afgewezen, met compensatie van de proceskosten.
De omvang van het hoger beroep
3.6
Bij appeldagvaarding van 21 april 2021 hebben [appellanten] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 6 april 2021 en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, in een verder uitgewerkte en aangevulde formulering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.
3.7
Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellanten] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep met nakosten en de wettelijke rente over de kosten.
De grieven van [appellanten]
3.8
De grieven van [appellanten] richten zich tegen het oordeel dat de door [appellanten] aangedragen argumenten niet toereikend zijn om een spoedeisend belang aan te kunnen nemen (grief I), tegen het oordeel dat een partiële verdeling als gevorderd niet mogelijk is bij gebreke van gewichtige redenen daarvoor (grief II) en tegen het oordeel dat een vordering tot verdeling in beginsel niet kan worden toegewezen in een kortgedingprocedure (grief III). Het hof zal deze laatste grief eerst bespreken.
3.9
Het hof stelt vast dat in hoger beroep niet is bestreden dat wat [appellanten] vorderen een partiële verdeling van de nalatenschap van hun (groot)moeder is (r.o. 4.4), zodat dit het hof tot uitgangspunt strekt. Voor de nalatenschap geldt dat de wijze van verdelen, ook partieel verdelen, is neergelegd in artikel 3:185 BW Pro. Een verdelingshandeling als bedoeld in artikel 3:185 BW Pro is voorbehouden aan de bodemrechter. Een dergelijke beslissing heeft een definitief karakter en kan daarom niet als een (voorlopige) ordemaatregel worden genomen. De vorderingen van [appellanten] , ook zoals deze in hoger beroep nader zijn geformuleerd en aangevuld met een subsidiaire vordering over de certificaten, impliceren een bepaalde verdeling van onderdelen van de nalatenschap van erflaatster die vooralsnog niet heeft plaatsgevonden en die ook niet door middel van een uitspraak in kort geding kan worden bewerkstelligd.
3.1
In zijn memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] vermeld dat [appellanten] in juni 2021 een bodemprocedure aanhangig hebben gemaakt met het oog op de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. Op deze mededeling hebben [appellanten] niet kunnen reageren, maar uitgaande van de juistheid ervan stelt het hof vast dat [appellanten] daarmee de juiste weg bewandelen.
3.11
Het voorgaande betekent dat het hof het oordeel van de voorzieningenrechter deelt dat het kort geding zich niet leent voor de vorderingen van [appellanten] , zodat grief III wordt verworpen en de vorderingen van [appellanten] verder niet aan de orde kunnen komen.
3.12
Bij deze stand van zaken hebben [appellanten] geen belang bij de bespreking van hun overige twee grieven, zodat de grieven I en II eveneens worden verworpen.
Conclusie
3.13
Nu alle grieven zijn verworpen, zal het vonnis van 6 april 2021 worden bekrachtigd met afwijzing van het meer of anders gevorderde. Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten in hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis in kort geding van 6 april 2021;
compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, J. van der Steenhoven en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 november 2021.
griffier rolraadsheer