In dit kort geding staat de betwiste koop van een gehuurde winkelruimte centraal, waarin al jaren een slagerij wordt geëxploiteerd. Appellant vordert nakoming van een koopovereenkomst die hij met wijlen [de zoon] zou hebben gesloten, waarbij hij stelt dat de koopprijs reeds is voldaan door huurbetalingen. De erven van wijlen [de zoon] betwisten de echtheid van de koopovereenkomst en voeren aan dat deze vervalst is en eventueel buitengerechtelijk is ontbonden.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen in eerste aanleg af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het hof oordeelt dat appellant wel spoedeisend belang heeft, maar dat de vordering in reconventie van [geïntimeerde 3] niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan spoedeisend belang. Het hof onderzoekt de feiten en stelt vast dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is, mede vanwege het ontbreken van een handschriftonderzoek en onvoldoende bewijs dat de handgeschreven toevoegingen door wijlen [de zoon] zijn geplaatst.
Gezien het beperkte kader van het kort geding en de wederzijdse belangen, oordeelt het hof dat de vorderingen van appellant niet toewijsbaar zijn. De afwijzing van de vordering in reconventie van [geïntimeerde 3] wordt vernietigd en zij wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.