ECLI:NL:GHSHE:2021:3469

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
200.297.757_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep kinderalimentatie tegen tussenbeschikking rechtbank

Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen. De rechtbank Limburg bepaalde in een beschikking van 29 april 2021 de kinderalimentatiebedragen over verschillende periodes, maar nam deze niet op in het dictum, waardoor het een tussenbeschikking betreft. De man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking met het verzoek de kinderalimentatiebedragen te vernietigen en anders vast te stellen.

Het hof hield een mondelinge behandeling over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij de vrouw en haar advocaat niet verschenen. Het hof oordeelde dat de beschikking een tussenbeschikking is, omdat er geen eindbeslissing in het dictum is opgenomen en de rechtbank verdere beslissingen heeft aangehouden.

Op grond van artikel 358 lid 4 Rv Pro kan tegen tussenbeschikkingen alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met de eindbeschikking, tenzij anders bepaald. Omdat de rechtbank geen eindbeslissing heeft genomen en tussentijds hoger beroep niet is toegestaan, verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de tussenbeschikking over kinderalimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 18 november 2021
Zaaknummer: 200.297.757/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/277912 / FA RK 20-1743
in de zaak in hoger beroep van:
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. C.C.J. van Pol,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.M.J. Schoonbrood.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 29 april 2021.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De man is op 26 juli 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 april 2021 voor zover het de kinderalimentatie betreft.
2.2.
Het hof heeft partijen bij brief van 3 augustus 2021 bericht dat, aangezien de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie niet in het dictum is vermeld en de rechtbank iedere verdere beslissing heeft aangehouden, het hof eerst een mondelinge behandeling zal houden waar uitsluitend de ontvankelijkheid van het door de man ingestelde beroep aan de orde zal zijn.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een V-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 22 september 2021.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2021. Bij die gelegenheid is gehoord:
- mr. C.C.J. van Pol, namens de man.
De vrouw en haar advocaat zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .
Met ingang van mei 2020 woont [minderjarige 3] afwisselend een week bij de vrouw en een week bij de man. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de vrouw.
3.2.
Bij echtscheidingsbeschikking tussen partijen van 28 december 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: de kinderalimentatie), met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, € 700,- per maand dient te betalen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: de partneralimentatie) € 700,- (bruto) per maand dient te betalen.
3.3.
In de bestreden beschikking van 29 april 2021 heeft de rechtbank in rov. 7.9. (pag. 11), overwogen, voor zover hier van belang:
“(…)
Derhalve is de uitkomst van dit onderdeel van het verzoek van de vrouw als volgt:
De door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage voor [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is vast te stellen op:
- een bedrag van € 399,- per kind per maand over de periode 8 januari 2018 tot 1 januari 2019;
- een bedrag van € 407,- per kind per maand over de periode 1 januari 2019 tot 1 januari 2020;
- een bedrag van € 333,- per kind per maand over de periode 1 januari 2020 tot [geboortedatum] 2020;
en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] :
- een bedrag van € 389,- per kind per maand over de periode [geboortedatum] 2020 tot 1 januari 2021;
- een bedrag van € 449,- per kind per maand vanaf 1 januari 2021;
voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
In afwachting van de beslissing over de partnerbijdrage wordt iedere verdere beslissing aangehouden.”
3.4.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank vervolgens in rov. 8. beslist als volgt:
“De rechtbank:
8.1.
stelt de man in de gelegenheid te bewijzen dat partijen ten aanzien van de schriftelijke afspraken omtrent de partnerbijdrage bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven;
8.2.
bepaalt dat partijen hun verhinderdata in de periode juni t/m augustus 2021 bij akte binnen 10 dagen na heden dienen in te dienen, waarna de rechtbank de dag van het verhoor van de getuige(n) bepaalt, en bepaalt verder dat de man bij zijn akte een indicatie dient te geven van de naar zijn inschatting met het verhoor van deze getuige(n) gemoeide tijd, zodat de rechtbank voor het verhoor een dag(deel) kan bepalen;
8.3.
bepaalt dat de man bij akte uiterlijk één week voor de dag van het verhoor van de getuige(n) de namen en de woonplaats van de getuigen dient op te geven en dat hij deze getuigen zo spoedig mogelijk na de dagbepaling van het getuigenverhoor bij aangetekend schrijven of bij exploot dient op te roepen;
8.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.”

4.Het verzoek in hoger beroep

4.1.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover is bepaald dat de man vanaf 8 januari 2018 de in 7.9., op pagina 11, van die beschikking te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen dient te voldoen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:
Primair
I. de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek om de kinderbijdrage aan te passen, althans het verzoek van de vrouw ter aanpassing van de kinderbijdrage alsnog af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, althans te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen over de periode vanaf 8 januari 2018 tot heden wordt vastgesteld op het bedrag dat de man ter zake per datum indiening van het beroepschrift aan de vrouw heeft voldaan;
Subsidiair
II. de ingangsdatum van de wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen wordt gesteld per datum beschikking in eerste aanleg (29 april 2021), dan wel per datum indiening verzoekschrift ( [geboortedatum] 2020), althans op een door het hof in goede justitie te bepalen latere datum dan 8 januari 2018 onder vaststelling van die bijdrage op een zodanig lager bedrag dan door de rechtbank is vastgesteld als het hof juist acht.
Kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Ter beoordeling ligt voor de vraag of de man ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep, zoals hiervoor is weergegeven.
5.2.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat sprake is van een deelbeschikking, althans dat appel tegen deze beschikking tot de mogelijkheden behoort omdat blijkens de overwegingen sprake is van een bindende eindbeslissing.
5.3.
De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
5.4.
Op grond van artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep van tussenbeschikkingen slechts tegelijk met de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van een beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte.
5.5.
Naar het oordeel van het hof dient de bestreden beschikking te worden aangemerkt als een tussenbeschikking. De rechtbank heeft haar beslissing over de kinderalimentatie, zoals weergegeven in rov. 7.9. van die beschikking en waartegen het hoger beroep zich richt, niet in het dictum van de bestreden beschikking opgenomen. In het dictum wordt ook anderszins niet een eind gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Aan de stelling van de man dat sprake is van een (bindende) eindbeslissing gaat het hof voorbij. Het dictum is beslissend voor de kwalificatie van de beschikking.
5.6.
Dat de rechtbank tussentijds hoger beroep heeft opengesteld is gesteld noch gebleken.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de man niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.M. Bossink en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2021 door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.