ECLI:NL:GHSHE:2021:3516

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
23 november 2021
Zaaknummer
200.291.025_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling en dwangsom bij omgangsregeling minderjarige na echtscheiding

Deze zaak betreft een hoger beroep in kort geding over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind na echtscheiding. De moeder, die het hoofdverblijf van het kind heeft, is veroordeeld tot nakoming van een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling waarbij de vader begeleid contact heeft met het kind. De moeder is tevens veroordeeld tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat zij niet aan deze regeling voldoet.

De moeder betoogt dat het kind nog niet toe is aan contact bij de vader thuis vanwege gedragsveranderingen na contactmomenten en veiligheidszorgen, mede vanwege het vermeende manipulatieve gedrag van de vader. Tevens klaagt zij over het ontbreken van inzage in relevante rapportages die haar zouden helpen de situatie beter te beoordelen.

Het hof oordeelt dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in beginsel volledig nageleefd moet worden, tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn die dit redelijkerwijs onmogelijk maken. Het hof stelt vast dat de veiligheid van het kind voldoende is gewaarborgd door de aanwezigheid van een begeleidende instantie en dat de belangen van het kind niet zwaarder wegen dan de nakoming van de zorgregeling. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep van de moeder tegen de dwangsom af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.291.025/01
arrest van 23 november 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.H.M. Nijsten,
tegen
[geïntimeerde],
wonende op een bij het hof bekend adres,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader,
advocaat in eerste aanleg: mr. K.P.E. van Tulden.
Deze zaak gaat over
[minderjarige](hierna: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].
Als informant is aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling en/of de GI.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
op het bij exploot van dagvaarding van 22 februari 2021 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis in kort geding van 27 januari 2021 tussen appellante – de moeder – als gedaagde en geïntimeerde – de vader – als eiser.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/286971 / KG ZA 21-5)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij memorie van grieven heeft de moeder één grief aangevoerd en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vader in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze aan hem te ontzeggen als rechtens ongegrond en/of onbewezen en de vader te veroordelen om aan de moeder (terug) te betalen hetgeen de moeder heeft voldaan ter zake verbeurde dwangsommen zoals bepaald in 5.2 van het bestreden vonnis, zulks met veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties.
2.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • het procesdossier eerste aanleg;
  • de memorie van grieven.
2.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van eerste aanleg.

3.De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4.De beoordeling

4.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is geboren [minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
4.2.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.
4.3.
[minderjarige] staat met ingang van 19 mei 2020 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 29 mei 2022. [minderjarige] heeft eerder van 17 december 2018 tot 17 december 2019 onder toezicht gestaan.
4.4.
Bij beschikking van 17 november 2020, waarvan de moeder in hoger beroep is gekomen, heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond – voor zover in deze procedure van belang – in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij er tussen de vader en [minderjarige] twee begeleide contactmomenten per drie weken zijn, waarbij Anacare de begeleidende instantie is en de GI de regie voert en waarbij wordt toegewerkt naar een vier uur durend contactmoment bij de vader thuis volgens het schema:
  • de eerste 5 momenten 1 uur contact;
  • de volgende 3 contactmomenten duren 1,5 uur;
  • de daarop volgende 3 contactmomenten duren 2 uur;
  • de daarop volgende 3 contactmomenten duren 2,5 uur;
  • de daarop volgende 3 contactmomenten duren 3 uur;
  • de daarop volgende 3 contactmomenten duren 3,5 uur;
  • de daarop volgende 3 contactmomenten duren 4 uur;
  • feestdagen en vakanties worden in dit schema ingepast.
4.5.
Bij vonnis in kort geding waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder veroordeeld tot nakoming van de door de rechtbank bij voormelde beschikking van 17 november 2020 vastgestelde zorgregeling, de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt, en de proceskosten gecompenseerd.
4.6.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
4.7.
Aan haar vordering legt de moeder het volgende ten grondslag. De moeder is niet tegen een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . Zij heeft wel bezwaar tegen de wijze waarop de regeling op dit moment plaats dient te vinden. De moeder heeft daarom haar medewerking nog niet verleend aan een contactregeling bij de vader thuis. [minderjarige] is nog niet toe aan omgang bij de vader thuis. Na de contactmomenten laat [minderjarige] een gedragsverandering zien. Bovendien kan de veiligheid van [minderjarige] niet worden gewaarborgd als er maar 1 begeleider aanwezig is. De vader heeft een fysiek overwicht op de begeleiding. De vader is zeer manipulatief en heeft een kort lontje. De vader heeft meerdere keren aangegeven naar het buitenland te willen vluchten. Verder vindt de moeder het zeer bezwaarlijk dat zij geen inzage heeft gekregen in de NIFP rapportages en de verslagen van De Horst. Als het gaat om het kunnen inschatten van een recidivekans heeft de moeder hier recht op. Dit alles betekent dat er sprake is van een wijziging op grond waarvan de bodemrechter anders zou hebben beslist als hij hiervan had geweten. Indien nu gestart wordt met contact bij de vader thuis is dit niet in het belang van [minderjarige] als vader alsnog op korte termijn een vrijheidsstraf dient te ondergaan.
4.8.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
4.9.
Het hof overweegt als volgt.
4.9.1.
Naar het oordeel van het hof vloeit de spoedeisendheid van deze zaak voort uit de aard van de vorderingen, zodat een kort geding procedure gerechtvaardigd is.
4.9.2.
Gelet op de beslissing d.d. 23 november 2021 in het hoger beroep van de moeder tegen voormelde beschikking van 17 november 2020 (bij de griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.290.093/01), is het belang van de moeder bij de onderhavige uitspraak beperkt tot de vraag of de moeder terecht dwangsommen heeft verbeurd over de periode van 27 januari 2021 tot heden.
4.9.3.
Voor het antwoord op de vraag of de moeder in de periode van 27 januari 2021 tot heden terecht dwangsommen heeft verbeurd dient te worden beoordeeld of de moeder al dan niet terecht haar medewerking aan de bij voormelde beschikking van 17 november 2020 vastgestelde zorgregeling heeft geweigerd.
4.9.4.
Het hof stelt voorop dat een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in beginsel volledig dient te worden nageleefd. Dit kan pas anders zijn, indien er sprake is van zodanige zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van de minderjarige dat nakoming van de zorgregeling in redelijkheid niet kan worden gevergd. Naar het oordeel van het hof is hiervan geen sprake. De rechtbank heeft bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt onder begeleiding van AnaCare. Hiermee is de veiligheid van [minderjarige] voldoende gewaarborgd en is het contact niet in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] .
4.10.
Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als volgt.
4.11.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 januari 2021;
compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Bossink, C.D.M. Lamers en P.M.M. Mostermans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 november 2021.
griffier rolraadsheer