Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[verweerder 1] ,
1.Het verloop van de procedure
- [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), namens [verzoekster] , bijgestaan door mr. Schuttelaar en
- [verweerder 1] , mede namens [verweerder 2] , bijgestaan door mr. Van Meer.
2.De beoordeling
- [verweerder 1] en [betrokkene 1] hebben twintig jaar lang samengewerkt op het gebied van beleggen in en beheren en exploiteren van vastgoed, zowel in privé als via vennootschappen, waaronder via [verzoekster] .
- Op 10 februari 2009 heeft [verzoekster] een overeenkomst van geldlening gesloten met de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). Op grond van deze overeenkomst heeft [verzoekster] een bedrag van € 5.000.000,- aan [betrokkene 2] geleend. Deze hoofdsom diende in vier termijnen afgelost te worden, waarvan de laatste termijn uiterlijk op 31 januari 2013. [betrokkene 2] heeft alleen de eerste termijn van € 1.000.000,- voldaan.
- Vanaf eind 2013 hebben [verweerder 1] en [betrokkene 1] onderhandeld over een splitsing van hun vennootschappen. Dit heeft geleid tot de splitsing en verdwijning van [B.V. 3] B.V. (hierna: [B.V. 3] ). Deze juridische splitsing heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015 met een economische werking vanaf 1 januari 2014. Daarbij zijn de aandelen van [B.V. 3] in [verzoekster] en [B.V. 4] B.V. overgedragen en verdeeld tussen [B.V. 5] B.V. (hierna: [B.V. 5] ), een aan [betrokkene 1] gelieerde vennootschap, en [verweerder 2] . De aandelen in [verzoekster] zijn toebedeeld aan [B.V. 5] .
- Ten tijde van de splitsing was de vordering van [verzoekster] op [betrokkene 2] op nihil gewaardeerd in de splitsingsbalans en niet zichtbaar meegenomen in het vermogen van [verzoekster] .
- Door de splitsing werd [B.V. 5] overbedeeld. Ter compensatie van deze overbedeling ontstond bij [verweerder 2] uit hoofde van de splitsing een vordering van € 5.517.528,- op [B.V. 5] .
- Op 12 maart 2015 is in verband met de overbedeling van [B.V. 5] – na verrekening van een aantal posten – een bedrag van € 2.035.593,- aan [verweerder 2] overgemaakt.
- In de periode vanaf maart 2015 tot en met september 2016 hebben [verzoekster] en [betrokkene 1] enerzijds en [verweerder 2] en [verweerder 1] anderzijds onderhandeld over de verdere (financiële) afwikkeling van de splitsing, waaronder een naverrekening van vermogensbestanddelen. Partijen hebben zich hierbij laten bijstaan door hun adviseurs mr. [adviseur 1] (voor [verzoekster] ) en mr. [adviseur 2] (voor [verweerder 2] ). Ook mr. [adviseur 3] (adviseur bij de door [betrokkene 1] opgerichte [Groep] ) was betrokken. In deze periode hebben partijen en hun adviseurs via e-mail en brieven gecorrespondeerd en heeft een aantal besprekingen plaatsgevonden, waaronder een bespreking op 19 augustus 2015 waarvan een gespreksverslag is gemaakt.
- Op 29 maart 2018 hebben [verzoekster] , [betrokkene 2] en [B.V. 6] B.V. een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin staat opgenomen dat [betrokkene 2] aan [verzoekster] op de vordering van € 4.000.000,- (vermeerderd met rente en boetes), in totaal een bedrag van € 2.100.000,- betaalt in 10 termijnen. Verder staat hierin opgenomen dat na betaling van dit bedrag aan [verzoekster] op uiterlijk 31 december 2018, partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Op grond van deze overeenkomst heeft [betrokkene 2] € 2.100.000,- aan [verzoekster] voldaan. De laatste deelbetaling vond plaats op 18 juni 2018.
- Verweerders hebben op 19 juni 2018 [betrokkene 1] en [verzoekster] gedagvaard en onder meer 50% van het door [verzoekster] van [betrokkene 2] ontvangen bedrag van
- [verzoekster] heeft zich hiertegen verweerd met de stelling dat [verweerder 2] geen enkele aanspraak toekomt op de opbrengst uit de vordering op [betrokkene 2] . Een dergelijke aanspraak zou volgens [verzoekster] niet voortvloeien uit de splitsingsakte en de overbedelingsvordering, terwijl partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de Concept Naverrekeningsovereenkomst. Volgens [verzoekster] is het daarin vervatte aanbod niet (tijdig) door [verweerder 1] geaccepteerd en heeft [verweerder 1] geweigerd de Concept Naverrekeningsovereenkomst te ondertekenen. Van enige betalingsverplichting van [verzoekster] jegens [verweerder 2] is volgens [verzoekster] in het geheel geen sprake.
- Voor het geval dat de rechtbank zou oordelen dat [verweerder 2] gerechtigd is tot 50% van de opbrengst van de “Vordering [betrokkene 2] ”, heeft [verzoekster] – in voorwaardelijke reconventie – een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder 1] , althans [verweerder 2] , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster] en hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden schade en met veroordeling van [verweerder 1] , althans [verweerder 2] , tot vergoeding van alle door [verzoekster] geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat (hierna: “Onrechtmatige daadvordering”) .
- Op basis van de door partijen gewisselde e-mails, brieven en stukken, het gespreksverslag van de bespreking op 19 augustus 2015, de schriftelijke verklaring van [adviseur 3] en hetgeen partijen ter comparitie hebben verklaard, oordeelt de rechtbank dat reeds in augustus 2015, maar in ieder geval in augustus 2016 tussen [verzoekster] en [verweerder 2] overeenstemming is bereikt over het feit dat de netto opbrengst van de vordering [betrokkene 2] tussen partijen op basis van 50-50 wordt verrekend. Op basis hiervan is [verzoekster] bij eindvonnis van 3 februari 2021 van de rechtbank Oost-Brabant in conventie ten aanzien van de “Vordering [betrokkene 2] ” veroordeeld om aan [verweerder 2] een bedrag van € 748.827,- te betalen.
- In reconventie heeft de rechtbank de “Onrechtmatige daadvordering” van [verzoekster] afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door verweerders. De rechtbank heeft daartoe onder meer en voor zover in deze procedure relevant als volgt overwogen. De rechtbank volgt de stelling niet dat [verweerder 2] in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door niet te melden dat haar bestuurder ( [verweerder 1] ) voor 1 miljoen euro participeerde in het overbruggingskrediet waardoor [betrokkene 2] in staat was het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag van € 2.100.000,- te betalen. Dat [verweerder 1] door de overeengekomen vergoeding voor participatie in het overbruggingskrediet heeft verdiend aan het overbruggingskrediet, doet volgens de rechtbank niet ter zake omdat [verweerder 1] en [verweerder 2] niet kunnen worden vereenzelvigd en niet gebleken is dat de voorwaarden niet marktconform zijn. De stelling van [verzoekster] dat de restantvordering op [betrokkene 2] is gecedeerd aan een rechtspersoon waarin [verweerder 1] of [verweerder 2] een belang heeft kent volgens de rechtbank geen begin van aannemelijkheid, terwijl het bovendien maar de vraag is of dit zou leiden tot onrechtmatigheid.
- [verzoekster] heeft tegen dit eindvonnis hoger beroep ingesteld middels een dagvaarding die is uitgebracht op 23 april 2021 waarbij is gedagvaard tegen de roldatum op 7 september 2021. Ambtshalve heeft het hof inmiddels vastgesteld dat in deze zaak (tussen)arrest is gewezen op 23 november 2021, waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft bevolen, namelijk op 24 maart 2022 (zaaknummer 200.298.112/01).
- [adviseur 3] , wonende te [woonplaats] ;
- [betrokkene 1] , wonende te [woonplaats] en
- [verweerder 1] .
- [verweerder 1] ;
- [betrokkene 3] , wonende te [woonplaats] , en
- [betrokkene 2] , wonende te [woonplaats] .