Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
- Tussen [verweerster] en [verzoeker ] is een geschil ontstaan over een tussen partijen gesloten koopovereenkomst betreffende een onroerende zaak (een woonboerderij en aanhorigheden).
- [verweerster] heeft [verzoeker ] in rechte betrokken. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker ] gelet op de koopovereenkomst van 17 september 2018 de onroerende zaak op de overeengekomen datum van 1 maart 2019 had moeten afnemen. Ondanks daartoe te zijn gesommeerd heeft hij dat volgens [verweerster] geweigerd, waardoor hij toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst. Volgens [verweerster] heeft zij dan ook de koopovereenkomst mogen ontbinden en daarbij aanspraak mogen maken op betaling van de contractuele boete ter hoogte van € 52.000,00 en aanvullende schade. [verzoeker ] heeft dit betwist.
- De Rechtbank Oost-Brabant heeft in het verzetvonnis van 3 februari 2021 – kort weergegeven – geoordeeld dat [verzoeker ] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst en dat [verweerster] deze mocht ontbinden. Naar het oordeel van de rechtbank moet de boete worden gematigd gezien de omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft beslist dat de verschuldigde boete tot een bedrag van € 35.000,00 toewijsbaar is en dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
- Tegen dit vonnis heeft [verzoeker ] op 19 april 2021 hoger beroep ingesteld en [verweerster] in hoger beroep gedagvaard tegen de rolzitting van 10 augustus 2021 (zaaknummer 200.298.039/01). Ambtshalve heeft het hof inmiddels vastgesteld dat in deze zaak arrest is gewezen op 19 oktober 2021, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald op 7 februari 2022 om 13.30 uur.