Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank die de omgangsregeling met haar minderjarige kind heeft gewijzigd. De minderjarige verblijft sinds 2016 in een pleeggezin op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. De omgang tussen moeder en kind vindt plaats onder begeleiding van een gecertificeerde instelling (GI).
De moeder verzoekt om een frequentere omgangsregeling dan de eenmaal per zes weken die de rechtbank heeft vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de moeder, de GI, de raad en de pleegmoeder gehoord. De moeder stelt dat de omgang goed verloopt en dat een hogere frequentie in het belang van het kind is. De GI en de raad geven aan dat de huidige regeling rust en stabiliteit biedt aan het kind.
Het hof overweegt dat de omgangsregeling van eenmaal per zes weken onder begeleiding in het belang van het kind is, omdat het contact stabiel verloopt en het kind hier baat bij heeft. Uitbreiding van de omgangsfrequentie is op dit moment niet aan de orde. Ook stelt het hof vier extra omgangsmomenten per jaar vast, waaronder twee brusjesdagen en twee andere momenten, nader in te vullen door de GI.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de omgangsregeling betreft en in zoverre opnieuw vastgesteld. De omgang vindt plaats onder begeleiding bij een instantie die het kind veiligheid en stabiliteit biedt. De omgang in het pleeggezin is voorlopig niet aan de orde vanwege de noodzaak van stabiliteit.
Uitkomst: Het hof wijzigt de omgangsregeling tot eenmaal per zes weken één uur onder begeleiding en kent vier extra omgangsmomenten per jaar toe.