Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
[minderjarige]), op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit over hun vijfjarige zoon, die sinds 2018 bij de vader woont. De moeder heeft het denkniveau van een 6 à 7-jarige en is niet in staat om zelfstandig gezagsbeslissingen te nemen. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en het gezag aan de vader toegekend. De moeder ging hiertegen in hoger beroep.
In het hoger beroep voerde de moeder aan dat zij met de juiste hulpverlening in staat is het gezag uit te oefenen en dat de hulpverlening onvoldoende rekening hield met haar culturele achtergrond. De vader en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat de moeder niet in staat is het belang van het kind voorop te stellen, wat blijkt uit haar weigering tot medewerking aan belangrijke zaken zoals een identiteitskaart en medische testen.
Het hof overwoog dat het belang van het kind voorop staat en dat de moeder vanwege haar permanente intellectuele beperking niet in staat is om zonder onnodige vertraging gezagsbeslissingen te nemen. De omgang tussen moeder en kind vindt begeleid plaats. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en wijst het gezag toe aan de vader vanwege de intellectuele beperking van de moeder.