ECLI:NL:GHSHE:2021:3740

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 december 2021
Publicatiedatum
16 december 2021
Zaaknummer
200.299.116_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 805 RvArt. 806 lid 1 sub a RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid moeder in hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn uithuisplaatsing

Deze zaak betreft het hoger beroep van een moeder tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. De moeder diende haar beroepschrift in na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn van drie maanden. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren vanwege deze termijnoverschrijding.

Tijdens de mondelinge behandeling stond uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. De moeder en vader waren niet aanwezig, maar hun advocaten wel. Het hof stelde vast dat de beschikking van de rechtbank onverwijld en correct aan de moeder was verzonden naar haar adres volgens de gemeentelijke basisadministratie. De moeder voerde aan dat zij pas later op de hoogte was gekomen van de uitspraak, maar het hof vond dit onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

Het hof benadrukte het belang van rechtszekerheid en de strikte handhaving van termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. Daarom verklaarde het hof de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en handhaafde de beschikking tot uithuisplaatsing.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 16 december 2021
Zaaknummer : 200.299.116/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/382169 / JE RK 21-250
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. Laatsman,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 maart 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2021, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen en al dan niet opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen (en de uithuisplaatsing te beëindigen).
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2021, heeft de GI het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2021.
Bij die gelegenheid is uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde geweest en zijn gehoord:
- mr. Laatsman;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI];
- mr. Laeyendecker;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
2.3.1.
De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 februari 2021;
  • het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 10 september 2021.

3.De beoordeling

Ontvankelijkheid
3.1.
Ingevolge artikel 806 lid 1 sub a van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
3.2.
Het beroepschrift van de moeder is door de griffie van het hof ontvangen op 30 augustus 2021, dus ná het verstrijken van de beroepstermijn. Nu het beroepschrift van de moeder buiten de wettelijke termijn is ingediend en de appeltermijn van openbare orde is, dient het hof ambtshalve te toetsen of het beroep van de moeder niettemin ontvankelijk is.
3.3.
De moeder voert in haar beroepschrift aan dat zij pas later door toeval op de hoogte is gekomen van de uitspraak van de rechtbank. Zij meent dat nu zij in hoger beroep is gekomen binnen drie maanden nadat de uitspraak haar bekend is geworden, zij ontvankelijk is in haar hoger beroep. Op 23 juli 2021 is door de gezinsvoogd de informatie met betrekking tot het ingediende verzoekschrift met de bijbehorende uitspraak per email verzonden aan de advocaat van de moeder.
3.4.
De GI meent dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingediende hoger beroep nu dit te laat, buiten de termijn van drie maanden, is ingesteld. Zij wijst erop dat de advocaat van de moeder aanwezig was bij de mondelinge behandeling op 2 juni 2021 aangaande de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] en dat toen is besproken dat er sprake was van een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis op basis van de thans bestreden beslissing. De moeder en haar advocaat wisten dus voor afloop van de beroepstermijn al van het bestaan van de machtiging uithuisplaatsing van 5 maart 2021.
3.5.
De raad heeft zich ter mondelinge behandeling niet uitgelaten over de ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek in hoger beroep.
3.6.
Het hof is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.
Het hof stelt voorop dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt en dat rechtsmiddeltermijnen strikt moeten worden gehandhaafd.
Dat het beroepschrift buiten de wettelijke beroepstermijn is ingekomen ter griffie van het hof, is niet betwist. Uit de door het hof ambtshalve bij de rechtbank opgevraagde informatie volgt dat de bestreden beschikking op 5 maart 2021 aan de moeder is verzonden naar het adres waar zij op dat moment volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Ter mondelinge behandeling heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld hiervan kennis te nemen en hierop te reageren. Partijen hebben zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof constateert op grond van het voorgaande dat de bestreden beschikking op de voet van art. 805 Rv Pro onverwijld en correct aan de moeder is verzonden. Gelet op art. 806 lid Pro 1, sub a, Rv had de moeder binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep moeten instellen.
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ook overigens is het hof niet of onvoldoende van bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat sprake is van een situatie waarin een uitzondering gerechtvaardigd is.
Het hof concludeert dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep van de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 maart 2021.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en P.M.M. Mostermans en is op 16 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.