Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen door de gecertificeerde instelling (GI). De kinderen zijn sinds 2020 uit huis geplaatst vanwege zorgen over de verzorging en opvoeding.
De moeder betoogt dat de eerdere problemen niet noemenswaardig zijn en dat haar situatie is verbeterd, onder meer door stabielere financiële omstandigheden en bewindvoering. Ze wenst de kinderen terug te plaatsen bij haar of, subsidiar, bij de vader. De GI en de vader betwisten dit en wijzen op het ontbreken van basisvoorwaarden zoals huisvesting en emotionele beschikbaarheid.
Het hof overweegt dat ondanks de hulpverlening sinds 2014 er onvoldoende verbetering is in het bieden van een veilig opvoedingsklimaat. De moeder woont momenteel in een kleine, ongeschikte woonruimte en kampt met psychische en financiële problemen die de omgang met de kinderen bemoeilijken. Het verzoek tot een aanvullend deskundigenonderzoek wordt afgewezen omdat er reeds een perspectiefonderzoek bij de vader loopt en het belang van de kinderen dit niet rechtvaardigt.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank tot verlenging van de uithuisplaatsing tot 30 december 2021 en wijst het hoger beroep van de moeder af.