In deze civiele zaak staat een bouwgeschil centraal tussen appellanten en een bouwbedrijf over gebreken aan een nieuwe woning en financiële afwikkelingen. Appellanten vorderen onder meer terugbetaling van een voorschot van €40.000,- en stellen onverschuldigde betaling van een deel van de aanneemsom wegens niet uitgevoerde werkzaamheden aan de WTW-installatie.
Het hof heeft het bewijs onderzocht, waarbij getuigenverklaringen van appellant 3 en een derde getuige werden beoordeeld. Het hof concludeert dat appellant 3 niet is geslaagd in het leveren van voldoende bewijs voor de terugbetalingsovereenkomst. Ook het beroep op onverschuldigde betaling wegens niet uitgevoerde WTW-werkzaamheden wordt afgewezen, omdat de aanpassing van de opdracht reeds was verdisconteerd in de verrekening tussen partijen.
Verder wijst het hof enkele posten toe die door de rechtbank onterecht waren afgewezen of toegewezen, waaronder een bedrag van €7.938,72 met wettelijke rente. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd tussen partijen. Het hof bekrachtigt de rolbeslissing van januari 2018 en vernietigt het vonnis van januari 2019 voor zover nodig, waarna het vonnis grotendeels wordt bekrachtigd.