Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
4.De beslissing
[verzoekster], geboren [geboortedatum] 1961, en wel met ingang van 6 januari 2022;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin bewind en mentorschap waren ingesteld ten behoeve van verzoekster. Verzoekster betwistte de noodzaak van deze beschermingsmaatregelen en voerde aan dat zij haar belangen zelf kon behartigen en dat zij onder druk was gezet bij de aanvraag.
Tijdens de mondelinge behandeling en op basis van medische verklaringen en financiële overzichten bleek dat de schulden van verzoekster inmiddels waren gesaneerd en dat zij haar vermogensrechtelijke belangen zelf kan behartigen. Het hof oordeelde daarom dat het bewind per 6 januari 2022 kan worden opgeheven.
Tegelijkertijd is vastgesteld dat verzoekster vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand onvoldoende in staat is haar niet-vermogensrechtelijke belangen, met name op het gebied van gezondheid en zorg, zelfstandig te behartigen. Het mentorschap blijft daarom noodzakelijk om haar te ondersteunen bij belangrijke beslissingen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank op dit punt bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof heft het bewind op per 6 januari 2022 en handhaaft het mentorschap ten behoeve van verzoekster.