De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die haar het recht op omgang met haar minderjarige kinderen voor onbepaalde tijd ontzegde. De kinderen zijn langdurig onder toezicht gesteld geweest en uit huis geplaatst, waarbij de moeder het gezag over hen verloor. De omgangsregeling was eerder stopgezet vanwege een belastend verloop van contactmomenten en de kinderen hebben aangegeven geen omgang te willen.
De moeder verzocht het hof om een omgangsregeling vast te stellen of subsidiair een deskundigenonderzoek te gelasten om mogelijkheden voor contactherstel te onderzoeken. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming stelden zich op het standpunt dat omgang op dit moment ernstig nadeel zou opleveren voor de kinderen, die kampten met diverse problematiek en een belaste voorgeschiedenis.
Het hof overwoog dat de moeder onvoldoende in staat is om op een goede wijze met de kinderen om te gaan en dat de kinderen, met name de 15-jarige dochter, ernstige bezwaren tegen omgang hebben geuit. Hoewel de dochter een voorzichtige opening toonde voor contact onder strikte voorwaarden, bood de moeder geen zekerheid dat zij deze voorwaarden zou respecteren. Het hof concludeerde dat het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen en bekrachtigde de ontzegging van het omgangsrecht. Het verzoek tot deskundigenonderzoek werd afgewezen omdat de feiten voldoende vaststonden.