De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige dochter, geboren in 2006, die lijdt aan het syndroom van Asperger en dyspraxie. De ondertoezichtstelling werd ingesteld vanwege ernstige bedreigingen van haar cognitieve, sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling, veroorzaakt door langdurig schoolverzuim en gebrekkig contact met de vader.
De moeder betoogde dat de bedreigingen niet reëel zijn en dat de ondertoezichtstelling niet langer nodig is, mede omdat de dochter sinds september 2021 met plezier naar school gaat en de moeder sinds juni 2021 hulpverlening accepteert. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de positieve ontwikkelingen te borgen en verdere bedreigingen te voorkomen.
Het hof oordeelde dat ondanks de positieve ontwikkelingen zoals schoolgang en verbeterde samenwerking met het CJG, de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige, de wisselende houding van de moeder ten opzichte van hulpverlening en de nog bestaande zorgen over de opvoedsituatie. De verlenging tot 30 juli 2022 wordt daarom bekrachtigd.