Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2021:4169

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
3 februari 2022
Zaaknummer
20-001498-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 450 SvArt. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens gebrek volmacht en ontbreken grieven

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf weken wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 30 uren. Namens de verdachte werd hoger beroep ingesteld.

Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep en constateerde dat het hoger beroep niet op de wettelijk voorgeschreven wijze was ingesteld. De volmacht van de raadsman voldeed niet aan de vereisten van artikel 450 Sv Pro, omdat de schriftelijke volmacht niet alle noodzakelijke elementen bevatte. Bovendien verscheen noch de verdachte noch zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep om het verzuim te herstellen.

Daarnaast stelde het hof vast dat de verdachte geen grieven had ingediend tegen het vonnis, noch mondeling of schriftelijk bezwaren had geuit. Gezien deze omstandigheden verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd gewezen door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 18 november 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens een onvolledige volmacht en het ontbreken van grieven.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001498-19
Uitspraak : 18 november 2021
VERSTEK (dnip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 10 mei 2019 met parketnummer
02-236940-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer
10-025541-18, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – naar het hof begrijpt en aldus verbeterd leest – ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken. Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep niet conform de vereisten van artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) is ingesteld, subsidiair wegens het ontbreken van grieven tegen het vonnis van de politierechter.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Volmacht instellen hoger beroep
Uit de akte instellen hoger beroep blijkt dat het hoger beroep op 13 mei 2019 is ingesteld door een griffiemedewerker van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die verklaarde daartoe gemachtigd te zijn blijkens een aan de akte gehechte brief, die beschouwd dient te worden als een bijzondere volmacht.
De aan de akte gehechte brief van raadsman mr. T. van Riel , advocaat te Breda, gedateerd 13 mei 2019, houdt, voor zover voor het navolgende van belang, in:
“Uw kenmerk: 02-236940-18 en 10-025541-18 (TUL)
Hierbij bericht ik u dat ik namens [verdachte] hoger beroep instel van de uitspraak/veroordeling van 10 mei jl. in de zaak met bovenstaande kenmerken.”
Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman schriftelijk hoger beroep doen instellen op de wijze als bedoeld in artikel 450, derde lid, Sv. De door de raadsman aan de griffie verzonden schriftelijke volmacht dient dan echter aan de in artikel 450, eerste en derde lid, Sv geformuleerde eisen te voldoen en mitsdien de volgende elementen te bevatten:
  • een verklaring van de advocaat dat hij tot het instellen van het hoger beroep door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd;
  • een verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep;
  • de vermelding van het door de verdachte opgegeven adres, waarnaar een afschrift van de appeldagvaarding kan worden gezonden.
Het hof stelt vast dat de brief van de raadsman, voor zover aan te merken als een schriftelijke volmacht, niet voldoet aan de voornoemde drie eisen en dat derhalve niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep is ingesteld.
Volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2012, LJN BV6999, bestaat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens een verzuim als hiervoor bedoeld onvoldoende grond indien de verdachte of een door de verdachte gevolmachtigd advocaat ter terechtzitting in hoger beroep verschijnt en (desgevraagd) verklaart dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval het geconstateerde verzuim niet voor gedekt kan worden gehouden, nu noch de verdachte, noch de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen.
Gelet op het voorgaande is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Het ontbreken van grieven
Het hof stelt ten overvloede vast dat de verdachte, die ondanks dat hij behoorlijk is gedagvaard niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Nu het hof niet van oordeel is dat de zaak desalniettemin onderzocht zou dienen te worden, zou het namens de verdachte ingestelde hoger beroep met toepassing van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv ook dientengevolge niet-ontvankelijk zijn verklaard.

BESLISSING

Het hof:
verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. J.J.J. Wubben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,
en op 18 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. J.J.J. Wubben is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.