ECLI:NL:GHSHE:2021:4210

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 december 2021
Publicatiedatum
4 februari 2022
Zaaknummer
20-002372-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging tot diefstal bromfiets met recidive en strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken wegens poging tot diefstal van een bromfiets. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, met uitzondering van de strafmaat, die het heeft herzien.

Het hof nam het justitieel verleden van de verdachte mee, waaronder eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en een ISD-maatregel van twee jaar. Gezien de ernst van het feit en de recidive achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Het uitgangspunt voor de strafmaat werd gebaseerd op de LOVS-oriëntatiepunten en vergelijkbare zaken.

Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van vijf maanden, wat niet aan de verdachte te wijten was. Deze termijnoverschrijding werd verdisconteerd in de strafmaat, waardoor de gevangenisstraf werd verminderd van 42 naar 39 dagen, met aftrek van voorarrest.

De overige onderdelen van het vonnis van de politierechter werden bevestigd. Het arrest werd gewezen door mr. S.C. van Duijn, mr. A.C. Bosch en mr. M.E.F.H. van Erve op 1 december 2021.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 39 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens poging tot diefstal van een bromfiets.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002372-19
Uitspraak : 1 december 2021
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 5 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 03-148081-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [penitentiaire inrichting] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter ter zake van poging tot diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van voorarrest. Tevens is door de politierechter de gevangenhouding van de verdachte bevolen en is het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis van de politierechter zal bevestigen, met aanvulling van de toepasselijke wetsartikelen met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de verdachte in verband met een beroep op vrijwillige terugtred zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behoudens de opgelegde straf en zal in zoverre opnieuw rechtdoen. Het hof zal voorts de toepasselijke wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal van een bromfiets. Blijkens het handelen van de verdachte heeft hij zich niets aangetrokken van het eigendomsrecht van anderen. Hij heeft enkel oog gehad voor het eigen financieel gewin, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de gedupeerde. Bovendien zijn diefstallen zeer ergerlijke feiten, die naast schade ook hinder en overlast veroorzaken voor de gedupeerden. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 augustus 2021, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts is het hof hieruit gebleken dat de verdachte op 24 februari 2021 een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren opgelegd heeft gekregen.
Het hof heeft voor de bepaling van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij die straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Voor diefstal van een bromfiets met recidive is het uitgangspunt een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 60 uren. Voor diefstal van een bromfiets met veelvuldige recidive is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Door de verdachte is op 8 juli 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof bij arrest van heden, 1 december 2021, arrest wijst. Derhalve is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 5 maanden. Niet is gebleken dat deze overschrijding aan de verdachte en/of zijn raadsvrouw is te wijten. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.
Het hof is van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn – mede gelet op voornoemde oriëntatiepunten – een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 39 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
39 (negenendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het vooroverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. M.E.F.H. van Erve, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Dibbits, griffier,
en op 1 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mrs. A.C. Bosch en M.E.F.H. van Erve zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.