Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2021:4328

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juli 2021
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
20-003659-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 62 SrArt. 1 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis beroepsvervoer ondanks betwisting herkomst goederen en betaling

In hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter bevestigt het gerechtshof 's-Hertogenbosch het oordeel dat sprake is van beroepsvervoer in de zin van de Wet wegvervoer goederen.

Verdachte voerde aan dat het vervoer geen beroepsvervoer was omdat de herkomst van de goederen vermoedelijk niet zuiver was en hij geen betaling ontving. Het hof oordeelt dat verdachte zelf heeft verklaard dat niemand goederen zonder betaling vervoert, en dat hij het transport voor een derde verrichtte. Daarmee is voldaan aan de definitie van beroepsvervoer.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat sprake zou zijn van vervoer van gestolen goederen acht het hof onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk. Ook als dat scenario waar zou zijn, sluit dat niet uit dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Wet wegvervoer goederen.

Het hof past de juiste wettelijke bepalingen toe en bevestigt het vonnis van de politierechter, met uitzondering van de straf die ter beoordeling aan de rechtbank wordt gelaten.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en veroordeelt verdachte voor beroepsvervoer in de zin van de Wet wegvervoer goederen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003659-19
Uitspraak : 28 juli 2021
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2019, in de strafzaak met parketnummer
01-199363-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf. Gevorderd is dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde telkens zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Namens verdachte is betoogd dat verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust.
In hoger beroep is namens de verdachte betoogd dat naar uiterlijke verschijningsvorm geen sprake was van beroepsvervoer in de zin van de Wet wegvervoer goederen. Gesteld is dat sprake was van vervoer van goederen waarvan de herkomst waarschijnlijk niet zuiver was, terwijl verdachte de herkomst van de goederen heeft willen verdoezelen. Vervoer van dergelijke goederen betreft geen beroepsvervoer. Voorts geldt dat niet is gebleken dat verdachte een derde heeft betaald om het betreffende transport te verrichten. Ook dit brengt met zich dat geen sprake was van beroepsvervoer in de zin van de Wet wegvervoer goederen en verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het verweer van de raadsman voorbij dient te worden gegaan omdat het verweer feitelijke grondslag mist en omdat verdachte op één moment meerdere wetsbepalingen kan overtreden. Daarnaast is gesteld dat uit het dossier voldoende blijkt dat sprake was van vervoer tegen betaling nu verdachte heeft verklaard dat niemand voor niets goederen vervoert.
Het hof stelt vast dat artikel 1.1. van de Wet wegvervoer goederen beroepsvervoer definieert als ‘vervoer van goederen met een of meer vrachtauto's dat tegen vergoeding van een of meer derden wordt verricht, niet zijnde eigen vervoer’
.
Uit het dossier volgt dat verdachte ten tijde van de staande houding op de bijrijdersstoel zat en dat zijn broer op verzoek van de verdachte de goederen in de vrachtauto vervoerde. Verdachte heeft verklaard dat de goederen die werden vervoerd niet van hem of zijn broer waren. Op de vraag of hij betaald kreeg voor dit transport heeft verdachte verklaard: “Dat doet toch niemand voor niets”. Het hof leidt uit deze verklaringen af dat de verdachte het transport verrichte voor een derde en bovendien is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat uit de verklaring van de verdachte genoegzaam volgt dat het transport tegen betaling plaatsvond. Het voorgaande brengt met zich dat sprake was van beroepsvervoer als bedoeld in de Wet wegvervoer goederen.
Het door de raadsman geschetste (mogelijke) alternatieve scenario, inhoudende dat geen sprake was van beroepsvervoer maar van vervoer van gestolen goederen waarvan verdachte de herkomst wilde verdoezelen, acht het hof onvoldoende onderbouwd zodat de feitelijke grondslag voor dit scenario in het dossier ontbreekt. Bovendien geldt dat, indien het door de raadsman geschetste alternatieve scenario wel aannemelijk zou zijn geworden, dit niet met zich brengt dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet wegvervoer goederen. Een verdachte kan zich immers op hetzelfde moment schuldig maken aan zowel overtreding van het Wetboek van Strafrecht als aan overtreding van de Wet wegvervoer goederen. Het verweer van de raadsman faalt op alle onderdelen.
Ten slotte is het hof van oordeel dat in plaats van de door de economische politierechter genoemde artikelen de hierna genoemde wettelijke voorschriften aangehaald dienen te worden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2.5 en 2.11 Wet wegvervoer goederen, en artikel 3 van Pro de Verordening (EG) nr. 1072/2009, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. D.A.E.M. Hulskes, voorzitter,
mr. K.J. van Dijk en mr. O.M.J.J. van de Loo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,
en op 28 juli 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. K.J. van Dijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.