Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant betreffende de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. Betrokkene werd verdacht van handel in cocaïne en MDMA in de periode van 2011 tot 2014. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €381.900,- en een betalingsverplichting opgelegd.
In hoger beroep stelde de advocaat-generaal een lagere schatting voor, tussen €297.100,- en €302.100,-. Het hof stelde vast dat het aantal drugstransacties in de getapte periode 319 bedroeg, minder dan eerder aangenomen. Het hof hield rekening met een opbouw van de handel over drie tijdvakken, waarbij het aantal transacties geleidelijk toenam. Hierdoor kwam het totaal op circa 10.599 transacties over de gehele periode.
De winstmarge werd vastgesteld op 50%, wat het hof als gunstig voor betrokkene beschouwde gezien het gebruik van versnijdingsmiddelen. De totale berekende bruto-opbrengst kwam op €397.462,50, waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel op €198.731,- werd gesteld. De betalingsverplichting werd gematigd met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn, resulterend in een bedrag van €193.731,-. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van gijzeling op 1.080 dagen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht met deze aangepaste vaststellingen en verplichtingen.