Op 22 oktober 2019 werd de verdachte betrapt op een overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter in Zeeland-West-Brabant veroordeelde de verdachte op 30 september 2020. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €500 en een hechtenisstraf van tien dagen, die bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden. Daarnaast werd de verdachte ontzegd om motorrijtuigen te besturen voor een periode van acht maanden.
Van de bijkomende straf van ontzegging werd een gedeelte niet ten uitvoer gelegd, tenzij de verdachte zich binnen een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit. De periode waarin het rijbewijs reeds was ingevorderd of ingehouden, werd in mindering gebracht op de opgelegde ontzegging. Het arrest werd mondeling uitgesproken op 4 mei 2021 door mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen.