Uit het raadsrapport van 30 november 2020 betreffende het ouderlijk gezag blijkt het volgende. [minderjarige] is een driejarige die al twee jaar opgroeit zonder contact met de vader. [minderjarige] weet niet (meer) wie zijn vader is. Volgens de moeder beschouwt [minderjarige] haar huidige partner als vader, een situatie die de moeder niet lijkt te willen veranderen. De moeder lijkt volledig vast te zitten in het verlenen en ervaart de vader enkel als last. Zij verwijt hem gebrek aan interesse, verwacht enkel tegenwerking van hem, maar komt ook zelf haar informatieplicht niet na. De moeder hoopt, middels het uitsluiten van de vader uit haar eigen leven en dat van [minderjarige] , een rustig en stabiel gezinsleven op te kunnen bouwen. Statusvoorlichting heeft niet plaatsgevonden en zal gezien moeders standpunt naar alle waarschijnlijkheid ook niet plaats gaan vinden. [minderjarige] wordt daarmee in zijn identiteitsontwikkeling beperkt dan wel geschaad.
De vader is een beperkte man die met de ondersteuning van hulpverlening en netwerk inmiddels een stabieler leven heeft opgebouwd. Hij heeft vertrouwen in zijn begeleider die hem ondersteunt in praktische regelzaken en die hem ook in de uitvoering van zijn ouderlijk gezag kan steunen. De vader twijfelt niet aan moeders beslissingen als opvoeder en geeft aan, alles te ondertekenen wat in [minderjarige] belang noodzakelijk is.
De vader is met name gericht op herstel van omgang met [minderjarige] . Hij wil graag zijn zoon leren kennen en wenst een langzame opbouw van het contact. De vader realiseert zich dat hij en [minderjarige] onbekenden voor elkaar zijn en acht omgangsbegeleiding noodzakelijk om het contact op te starten en te ondersteunen. Omdat zijn focus ligt op contact en niet op het gezag heeft hij uit zelfbescherming al overwogen om zich niet te verzetten tegen moeders verzoek tot eenhoofdig gezag, in de hoop zijn kans op omgang daarmee te vergroten.
Buiten het gemis aan contact tussen [minderjarige] en zijn vader ziet de raad geen redenen om te twijfelen aan het handelen van de moeder als opvoeder en aan de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook de vader acht de moeder bij machte [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft.
Om de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] weg te nemen dienen de ouders samen met de hulpverlening een plan te maken waarin wordt toegewerkt naar de volgende doelen:
De raad meent dat om deze doelen te behalen er hulp nodig is, en wel een begeleide omgangsregeling onder regie van een professional, hulpverlening aan de moeder gericht op de verwerking van haar PTSS en voortzetting en steun van de persoonlijke begeleiding van de vader.
De raad is aldus van mening dat de ouders met ondersteuning van persoonlijke hulpverlening en professionele omgangsbegeleiding bij machte zijn om tot komen tot een situatie waarin [minderjarige] onbelast contact heeft met de vader. Daarbij acht de raad de vader bij machte om, met de ondersteuning van zijn persoonlijke begeleider, op een adequate wijze invulling te geven aan zijn ouderlijk gezag, zonder daarbij te vervallen in strijd met de moeder. De vader heeft in de afgelopen jaren op geen enkele wijze zijn ouderlijk gezag misbruikt.
Dat de vader uit onmacht en zelfbescherming bij tijd en wijle aangeeft zich te voegen naar moeders wens inzake eenhoofdig gezag, in de hoop daarmee omgang te verkrijgen, wordt door de raad niet in het belang van [minderjarige] geacht. Dit biedt geen enkele garantie op herstel van het contact en omdat de vader door het ‘wegnemen’ van het ouderlijk gezag nog verder op afstand wordt geplaatst, zijn recht op informatie praktisch beperkt wordt en [minderjarige] het kleine restje ban dat hij met zijn vader heeft, nog verder zal verliezen.
De raad concludeert dat een wijziging in het gezag niet tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . De band tussen de vader en [minderjarige] dient zo veel mogelijk in stand te worden gehouden. Gebleken is dat vaders ouderlijk gezag geen enkel bedreiging vormt voor de
belangen en ontwikkeling van [minderjarige] . De vader geeft te kennen in te stemmen met
moeders keuzes als opvoeder en alle benodigde toestemmingen te blijven
verstrekken, hij wordt daarin ondersteund door zijn persoonlijk begeleider.
Het is moeders verantwoordelijkheid en plicht om als opvoedend ouder haar zoontje ter
bescherming van diens belangen en ontwikkeling, de mogelijkheid te bieden een
band op te bouwen met zijn vader.
De raad adviseert het hof dan ook om evenals de rechtbank moeders verzoek tot het toekennen van eenhoofdig gezag af te wijzen.