ECLI:NL:GHSHE:2021:540

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
200.253.396_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 810a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging uithuisplaatsing minderjarige na deskundigenonderzoek

In deze zaak stond de verlenging van een uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De moeder had in hoger beroep verzocht om afwijzing van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing of subsidiair een deskundigenonderzoek. Het hof besloot een dergelijk onderzoek te gelasten, gezien de samenhang met andere lopende procedures en de noodzaak tot een gefundeerde beslissing.

De deskundigenrapporten, ontvangen in december 2020, gaven een verontrustend beeld van de situatie. Er zijn ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige. De minderjarige vertoont een onveilige gehechtheid en parentificatie, en heeft moeite met het reguleren van emoties. De moeder kampt zelf met emotionele instabiliteit, impulsiviteit en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek, en heeft onvoldoende meegewerkt aan het onderzoek.

Het hof onderschreef de conclusies van de deskundigen en oordeelde dat terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder op dit moment niet aan de orde is. De uithuisplaatsing in het pleeggezin wordt bekrachtigd. Het hof benadrukte het belang van het accepteren van de plaatsing door de moeder en het bevorderen van een goed contact tussen moeder en kind. De beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd bekrachtigd en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 25 februari 2021
Zaaknummer : 200.253.396/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/349954 / JE RK 18-1737
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E. Sijnesael,
tegen
Stichting Intervence,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Deze beschikking gaat over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[pleegouders](hierna te noemen: de pleegouders).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is in de procedure gekend: de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.
als vervolg op de beschikkingen van het hof van 16 mei 2019, 18 juli 2019 en 12 september 2019.

13.De beschikking van 12 september 2019

Bij die beschikking heeft het hof drs. A. Laurijssen-Timmers, Registerpsycholoog NIP/Kinder- en Jeugd, en drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, benoemd tot deskundigen en hen verzocht een onderzoek in te stellen en een gezamenlijk deskundigenbericht uit te brengen omtrent de in de beschikking van 18 juli 2019 in rov. 7.1 geformuleerde onderzoeksvragen.
Iedere verdere beslissing is aangehouden.

14.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

14.1
Het hof heeft kennis genomen van de twee afzonderlijke rapportages van de deskundigen van 3 december 2020, ter griffie van het hof ontvangen op 7 december 2020.
14.2.
Het hof heeft verder kennis genomen van:
  • het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 15 januari 2021;
  • de brief van de GI d.d. 15 januari 2021.

15.De verdere beoordeling

15.1.
In hoger beroep heeft de moeder verzocht om het verzoek van de GI om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen af te wijzen, dan wel (subsidiair) een deskundigenonderzoek te gelasten.
15.2.
Het hof heeft bij beschikking van 16 mei 2019 het subsidiaire verzoek van de moeder toegewezen en heeft in dit kader onder meer het volgende overwogen:
(..) Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat snel duidelijkheid komt over de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheid van [minderjarige] om weer bij de moeder te wonen. Nu het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige op grond van artikel 810a lid 2 Rv bij de rechtbank niet is gehonoreerd, er inmiddels al een verlengingsprocedure van de uithuisplaatsing bij de rechtbank aanhangig is en de raad een verzoek heeft ingediend voor gezagsbeëindiging van de moeder over [minderjarige] , acht het hof het aangewezen dat nu een onderzoek ingevolge artikel 810a lid 2 Rv wordt gelast. De onderhavige zaak maakt immers onderdeel uit van een keten van elkaar opvolgende en met elkaar samenhangende besluiten en kan daarvan niet los worden gezien. Dit maakt dat het onderzoek vanuit dit perspectief bezien tot beslissing van de zaak kan leiden. (..)”.
15.3.
Bij voornoemde beschikking heeft het hof ten aanzien van het primaire verzoek reeds het volgende overwogen:
“(..) 3.9.2. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de noodzaak tot verlenging van de uithuisplaatsing. Voor het hof is duidelijk dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder vóór afloop van de in de bestreden beschikking bepaalde termijn van de uithuisplaatsing, te weten tot 15 mei 2019, niet tot de mogelijkheden behoort, gelet op de zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Ook de moeder acht een terugkeer van [minderjarige] vóór afloop van de huidige machtiging niet mogelijk; ter zitting heeft zij in dit verband aangegeven dat [minderjarige] het beste de zomervakantie kan gebruiken om bij haar te komen wonen. (..)”.
15.4.
Door diverse omstandigheden heeft het helaas lang geduurd voordat het onderzoek is afgerond en het deskundigenrapport is uitgebracht.
De periode, waarop de verlenging van de uithuisplaatsing ziet, is inmiddels ruimschoots verstreken en over de rechtmatigheid van de bestreden beslissing heeft het hof reeds geoordeeld.
Dit neemt niet weg dat de bevindingen van het deskundigenrapport van waarde kunnen zijn voor andere te nemen beslissingen ten aanzien van [minderjarige] en de moeder.
Bovendien heeft de moeder tijdens de mondeling behandeling verklaard dat een onderzoek, ook bij een voor haar negatieve uitkomst, helpend kan zijn om de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin te accepteren.
15.5.
Het hof onderschrijft de conclusies van de deskundigen.
De inhoud van het deskundigenonderzoek brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment niet aan de orde kan zijn.
Uit het rapport blijkt dat er zowel over de moeder als over [minderjarige] zodanige zorgen bestaan dat terugplaatsing nu niet aan de orde is. Het zal volgens het rapport een moeizaam en langdurig traject zijn om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] , waarbij de onderzoekers aangeven hierover somber te zijn gestemd gezien de turbulentie van het leven van de moeder gedurende de jaren dat de moeder twee kinderen heeft gekregen en de huidige situatie.
Als gevolg van de uithuisplaatsing, die blijkens het rapport door de moeder niet wordt geaccepteerd, is er bij [minderjarige] sprake van een loyaliteitsconflict. Dit brengt [minderjarige] in verwarring en zorgt voor een conflict in het willen/mogen/durven wonen bij de pleegouders.
De deskundigen hebben verder geconstateerd dat de ontwikkeling van [minderjarige] onder druk staat. [minderjarige] laat een verontrustend beeld zien in zowel sociaal, emotioneel en relationeel opzicht. De oorzaak hiervan is gelegen in een instabiel erg onveilig opvoedklimaat waarmee zij in het verleden te maken heeft gehad. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige] een onveilige gedesorganiseerde gehechtheid laat zien. In het gedrag van [minderjarige] is verder gezien dat er sprake is van parentificatie. Voorts is gebleken dat [minderjarige] niet zelfstandig in staat is om haar emoties en spanningen te reguleren.
[minderjarige] heeft behoefte aan een opvoeder, die in staat is om met voornoemde problematiek om te gaan. Goed genoeg ouderschap is voor [minderjarige] niet voldoende.
Er zijn zorgen of de moeder dit aan [minderjarige] kan bieden. Als gevolg van een belaste jeugd en een adoptieverleden, heeft de moeder zelf ook te kampen met problematiek, waaronder hechtingsproblematiek. Verder komt uit het rapport naar voren dat er bij de moeder sprake is van emotionele instabiliteit, impulsiviteit, achterdocht, een instabiel gevoel van eigenwaarde en een povere identiteitsontwikkeling. De moeder heeft zich herhaaldelijk aangemeld bij Emergis, maar behandelingen zijn niet van de grond gekomen. De moeder externaliseert haar problemen, heeft zwartwit visies en ze kan niet goed reflecteren op haar eigen gedrag. De moeder is geneigd een sociaal wenselijk beeld te presenteren waarbij zij wil laten zien dat ze een goede moeder is. Er wordt niet uitgesloten dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, maar dit kon niet worden onderzocht. Uit het rapport is gebleken dat de moeder beperkt onderzoekbaar is geweest. Zo kon bijvoorbeeld onvoldoende worden onderzocht in hoeverre de zorgen over vermeende alcoholproblematiek bij de moeder terecht zijn, aangezien de moeder niet heeft toegestaan dat de deskundige met referenten van de moeder heeft kunnen spreken. Hierdoor blijven een aantal zaken onduidelijk.
In de contacten tussen [minderjarige] en de moeder, die op zichzelf goed zijn en waarvan [minderjarige] ook geniet, wordt verder gezien dat fysiek contact zowel door de moeder als door [minderjarige] wordt vermeden. Daarnaast heeft de moeder er moeite mee om voldoende sensitief te reageren en om [minderjarige] de nodige begrenzing en structuur aan te bieden.
Weliswaar stelt de moeder terecht dat er uit het onderzoek ook positieve zaken naar voren komen, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de zorgen over [minderjarige] nog onverminderd aanwezig en kan dit niet tot een ander oordeel ten aanzien van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing leiden.
15.6.
Alles in onderlinge samenhang bezien ondersteunt de rapportage de beslissing over de uithuisplaatsing die het hof eerder al heeft genomen. Ten aanzien van het uiteindelijke perspectief van [minderjarige] geeft het rapport geen eenduidig antwoord. Deze beslissing ligt echter niet aan het hof voor.
De GI heeft inmiddels wel aangegeven dat zij op grond van de conclusies van het rapport aan de raad zal vragen het onderzoek naar de gezagsbeëindiging te heropenen en hiertoe een nieuw verzoek zal indienen.
Het voorgaande laat onverlet dat het belangrijk is dat er wordt ingezet op een goed contact tussen [minderjarige] en de moeder. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat de moeder de uithuisplaatsing in het huidige pleeggezin accepteert, dat zij de pleegouders niet langer afwijst en dat zij dit ook naar [minderjarige] toe uitdraagt. Het is aan de moeder om [minderjarige] te verlossen van haar loyaliteitsconflict door haar duidelijk te maken dat het goed is dat zij bij de pleegouders opgroeit.
Het hof adviseert ten slotte om de adviezen van de deskundigen over de in te zetten hulpverlening op te volgen, zodat de moeder in de toekomst beter in staat zal zijn om bij [minderjarige] aan te sluiten. Mogelijk kan de rapportage voor de moeder in zoverre helpend zijn.
15.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

16.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 november 2018;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, J.C.E. Ackermans-Wijn en P. Vlaardingerbroek en is op 25 februari 2021 uitgesproken in het openbaar door
mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.