ECLI:NL:GHSHE:2021:544

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
200.274.891_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: aanpassing bijdrage en ingangsdatum

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2016, waren in geschil over de hoogte en ingangsdatum van de kinderalimentatie. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op €276,19 per maand vanaf 5 december 2019. De man kwam hiertegen in hoger beroep, stellende dat de alimentatie nihil of lager moest zijn vanwege zijn draagkracht. De vrouw stelde dat de alimentatie met ingang van 1 januari 2019 of 12 april 2018 verschuldigd was.

Het hof bevestigde de ingangsdatum van 5 december 2019 zoals door de rechtbank vastgesteld. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €465,89 per maand, waarbij de man onvoldoende bewijs leverde om dit te betwisten. De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op minimaal €25,- per maand vanwege haar Wajong-uitkering. De man had vanaf 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020 een wisselend inkomen uit WW- en ZW-uitkeringen en had voldaan aan zijn inspanningsverplichting om inkomen te genereren.

Het hof stelde de draagkracht van de man over de periode 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 vast op €25,- per maand, vanwege zijn beperkte inkomen en ziekteperiode. De man kon vanaf 1 oktober 2020 de volledige alimentatie van €276,19 voldoen. Schulden van de man werden niet meegenomen wegens gebrek aan bewijs. De zorgkorting bleef 25% zoals overeengekomen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor de periode 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 en opnieuw vastgesteld op €25,- per maand, voor de rest bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: De kinderalimentatie is voor de periode 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 vastgesteld op €25,- per maand en voor het overige bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.274.891/01
zaaknummer rechtbank : C/01/345438 / FA RK 19-1776
beschikking van de meervoudige kamer van 25 februari 2021
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. H. Sanli te Helmond,
tegen
[bewind] Bewind B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van
[de vrouw] ,wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk te Helmond.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 5 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 3 maart 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 december 2019.
2.2
De vrouw heeft op 13 mei 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 18 juni 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 november 2019;
  • het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 14 januari 2021.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 19 januari 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen hebben tot 1 december 2017 een relatie met elkaar gehad.
3.3
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 (hierna: [minderjarige] ).
3.4
Bij beschikking van 14 maart 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de vaststellingsovereenkomst van de man en de vrouw, ondertekend op 25 januari 2019, deel uitmaakt van die beschikking en het meer of anders verzochte afgewezen.
In de vaststellingsovereenkomst is - voor zover thans van belang - opgenomen dat de kinderalimentatie op basis van de gebruikelijke normen zal worden berekend en met behulp van de advocaten nader zal worden overeengekomen. Deze nadere overeenkomst zal als bijlage aan de vaststellingsovereenkomst worden gehecht.
3.5
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking van 5 december 2019 is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 5 december 2019 bepaald op € 276,19 per maand.
4.2
De grieven van de man zien op de behoefte van [minderjarige] en op de draagkracht van de man.
De man verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld, althans met ingang van 5 december 2019 € 25,- per maand zal bedragen, althans een zodanige ingangsdatum en bijdrage te bepalen als het hof juist acht, kosten rechtens.
4.3
De grieven van de vrouw zien op de ingangsdatum.
De vrouw verzoekt het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen. Zij verzoekt verder om de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de ingangsdatum en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2019 de door de rechtbank vastgestelde bijdrage verschuldigd is, dan wel subsidiair met ingang van 12 april 2018, en de beschikking voor het overige te bekrachtigen.
4.4
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

ingangsdatum
5.1
De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum is in geschil.
5.2
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.3
Net als de rechtbank acht het hof de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van
5 december 2019 in de gegeven omstandigheden de juiste. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om van deze datum af te wijken.
behoefte van [minderjarige]
5.4
De man heeft de door de rechtbank vastgestelde en naar 2019 geïndexeerde behoefte van
€ 465,89 betwist.
5.5
Het hof oordeelt als volgt. Ondanks dat de man via het hoger beroep opnieuw in de gelegenheid is gesteld om een jaaropgave over 2017 in het geding te brengen of andere informatie te verstrekken waaruit het totale bruto-jaarinkomen van de man over 2017 blijkt, heeft de man nagelaten zijn stellingen omtrent dat inkomen nader te onderbouwen.
Het hof zal derhalve uitgaan van een behoefte van [minderjarige] van € 465,89 per maand.
draagkracht
5.6
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw, die een Wajong-uitkering ontvangt, een minimale draagkracht heeft van € 25,- per maand.
5.7
De draagkracht van de man voor het betalen van de door vrouw verzochte kinderalimentatie is in geschil.
5.8
Uit de stukken en hetgeen op de mondelinge behandeling is verklaard, is gebleken dat de man met ingang van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020 afwisselend een WW-uitkering en ZW-uitkering heeft ontvangen.
De vrouw heeft weliswaar betoogd dat op de man een inspanningsverplichting rustte om voldoende inkomen te genereren, maar in de visie van het hof heeft de man aan deze verplichting voldaan. De man heeft immers met ingang van 1 oktober 2020 een inkomen dat nagenoeg gelijk is aan zijn oude inkomen. De man is bovendien vanwege ziekte enige tijd verhinderd geweest om betaalde werkzaamheden te verrichten.
5.9
Op grond van het voorgaande zal het hof de draagkracht van de man over de periode ingaande 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 vaststellen op € 25,- per maand.
5.1
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man betoogd dat hij met ingang van
1 oktober 2020 de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie in beginsel kan voldoen, doch hij verzoekt het hof rekening te houden met zijn schuldenlast. Daarbij heeft de man verklaard dat de eerdere, reeds in eerste aanleg genoemde schulden zijn afgelost, maar dat er nieuwe schulden zijn ontstaan.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist, aangezien een (schriftelijke) onderbouwing van de schulden ontbreekt.
5.11
Vanwege het ontbreken van verificatoire bescheiden waaruit de schuldenlast van de man blijkt kan het hof niet anders dan oordelen dat er met de schulden van de man geen rekening kan worden gehouden.
5.12
Gelet op de zorgregeling, zoals deze tussen partijen is overeengekomen, ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met een ander zorgkortingspercentage dan de reeds gehanteerde 25%, daargelaten dat hiertegen niet is gegriefd.
5.13
Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderalimentatie van de man met ingang van 1 oktober 2020 wordt vastgesteld op een bedrag van € 276,19 per maand.

6.De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.1
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.
6.2
Het voorgaande brengt met zich dat de grieven van de man deels slagen. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze ziet op de periode van 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 december 2019, voor zover deze ziet op de periode van 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 5 december 2019 tot 1 oktober 2020 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 25,- per maand zal betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.L. Schaafsma-Beversluis en
A.M. Bossink is op 25 februari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.