ECLI:NL:GHSHE:2021:57

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 januari 2021
Publicatiedatum
14 januari 2021
Zaaknummer
200.275.814_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging ouderschapsplan en zorgverdeling na onderlinge overeenstemming ouders

In deze zaak gaat het om een geschil tussen de moeder en vader over de zorgregeling en het hoofdverblijf van hun minderjarige kind, geboren in 2013. Partijen oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en hadden een ouderschapsplan uit 2018 waarin het hoofdverblijf bij de moeder was vastgesteld. De rechtbank had dit plan gewijzigd en het hoofdverblijf bij de vader gelegd met een aangepaste zorgregeling.

De moeder kwam hiertegen in hoger beroep en wijzigde haar verzoek nadat partijen overeenstemming bereikten over een nieuwe zorgverdeling. Deze houdt in dat de zorg- en opvoedingstaken gelijk verdeeld worden en de minderjarige in principe de helft van de tijd bij elke ouder verblijft, terwijl het hoofdverblijf bij de vader blijft. De gecertificeerde instelling en de vader stemden hiermee in.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze het ouderschapsplan wijzigde en paste het ouderschapsplan aan volgens de nieuwe zorgverdeling. Tevens werden afspraken over vakanties en feestdagen opgenomen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijzigt het ouderschapsplan en stelt een gelijkwaardige zorgverdeling vast met het hoofdverblijf bij de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 januari 2021
Zaaknummer: 200.275.814/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/343149 / FA RK 19-620
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J. Geuze,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.A. Knopper.
Deze zaak gaat over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zuidoost Nederland,
Locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2020.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 maart 2020, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vader alsnog af te wijzen. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 6 mei 2020, heeft de vader het hof verzocht de moeder in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dat verzoek te ontzeggen als ongegrond dan wel onbewezen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking, voor zover die beschikking ziet op de grieven van de moeder.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 18 februari 2019 en 13 december 2019;
  • de brief met bijlagen van de GI d.d. 1 mei 2020;
  • het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 2 december 2020;
  • de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 10 december 2020;
  • het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 11 december 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit de relatie van partijen is geboren:
- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
In een door partijen op 15 juni 2018 ondertekend ouderschapsplan hebben zij afspraken gemaakt over de regeling inzake de zorg- en opvoedingstaken. In het ouderschapsplan is verder, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de moeder en dat [minderjarige] in de oneven weken bij de moeder verblijft en in de even weken bij de vader, waarbij het wisselmoment zal zijn op de maandagen.
3.3.
Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 4 maart 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant een voorlopige voorziening vastgesteld voor de duur van de procedure, inhoudende, voor zover thans van belang, dat:
  • [minderjarige] aan de vader is toevertrouwd;
  • als
o eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zaterdag 18:00 uur;
o iedere week op woensdagmiddag uit school tot na het avondeten;
o op de uitdrukkelijke voorwaarden dat er geen contact is tussen [minderjarige] en de partner van de moeder in welke vorm dan ook en dat de moeder zich houdt aan de veiligheidsafspraken die de hulpverlening (Go-team) noodzakelijk acht;
indien het Go-team op basis van veiligheidsindicaties een nadere beperking van de contacten noodzakelijk acht dan is dat leidend.
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is intussen verlengd tot 1 mei 2021.
3.5.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank het voornoemde ouderschapsplan van 15 juni 2018 gewijzigd voor zover dit ziet op het hoofdverblijf van [minderjarige] en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaald dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vader heeft en een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder
in beginselgerechtigd is tot contact met [minderjarige] gedurende:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zaterdag 18:00 uur;
- iedere week op woensdagmiddag uit school tot na het avondeten;
waarbij de uitdrukkelijke voorwaarde geldt dat er geen contact is tussen [minderjarige] en de heer [betrokkene] in welke vorm dan ook en dat de moeder zich houdt aan de veiligheidsafspraken die de GI noodzakelijk acht, wat tevens inhoudt dat de moeder zich houdt aan de regiewijzigingen van de GI voor wat betreft de opbouw van het contact en de vraag of en wanneer dit contact in onbegeleide vorm kan plaatsvinden.
Het zelfstandig verzoek van de moeder om te bepalen dat de reguliere zorgregeling tussen partijen zoals opgenomen in het ouderschapsplan nagekomen wordt onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer dat de vader weigert de overeengekomen week-op-week-af regeling na te komen, is afgewezen.
3.6.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
De moeder heeft het hof bij voormeld bericht van 10 december 2020 te kennen gegeven dat zij en de vader overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de zorgregeling van [minderjarige] . De ouders hebben afgesproken dat zij de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] bij helfte gaan verdelen en dat [minderjarige] in principe de helft van de tijd bij ieder van de ouders doorbrengt. De ouders hebben een zorgverdeling afgesproken conform de door beiden ondertekende zorgverdeling.
Over het hoofdverblijf van [minderjarige] hebben de ouders afgesproken dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader blijft gehandhaafd.
De moeder heeft het haar verzoek in hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij haar hoger beroep wat betreft het hoofdverblijf van [minderjarige] intrekt en het hof ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verzoekt om de door partijen ondertekende zorgverdeling aan de beschikking te hechten en daarvan onderdeel te laten zijn.
De vader heeft hiermee in zijn bericht aan het hof van 11 december 2020 ingestemd.
Ook van de kant van de GI is bij bericht van 12 januari 2021 aangegeven dat zij instemt met de door de ouders overeengekomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
3.8.
Het hof zal aan het verzoek van de moeder voldoen in die zin dat de reguliere zorgverdeling en de verdeling van de vakanties, feest- en bijzondere dagen in het dictum zullen worden opgenomen. Hetgeen partijen daarnaast zijn overeengekomen bindt hen wel maar leent zich niet voor opneming daarvan in het dictum van deze beschikking.
Proceskosten
3.9.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen de moeder en de vader gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2020, voor zover de rechtbank daarbij het ouderschapsplan van 15 juni 2018 heeft gewijzigd wat betreft de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt het ouderschapsplan van 15 juni 2018, voor zover dit ziet op de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, als volgt;
bepaalt dat er een reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn waarbij [minderjarige] , volgens een tweewekelijks schema, in beginsel de helft van de tijd bij ieder van de ouders doorbrengt, conform de door partijen overeengekomen verdeling, welke is opgenomen in de door hen ondertekende overeenkomst d.d. 11 december 2020, die aan deze beschikking is gehecht;
bepaalt voorts:
-de reguliere zorgverdeling loopt in de vakanties door, behoudens wanneer de ouders in onderling overleg anders afspreken;
-op eerste kerstdag is [minderjarige] bij de moeder en op tweede kerstdag is [minderjarige] bij de vader;
-ten aanzien van Oud en Nieuw zullen de ouders ieder jaar overleggen waar [minderjarige] dat jaar verblijft op oudejaarsdag en op nieuwjaarsdag;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis, M.I. Peereboom-van Drunick en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2021 door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.