Het geschil betreft de naheffingsaanslag accijns voor minerale oliën en voorraadheffing opgelegd aan belanghebbende wegens de aanwezigheid van 16.000 liter onveraccijnsde diesel in door hem gehuurde loodsen. Belanghebbende betwistte zijn aansprakelijkheid, stellende dat hij niet wist van de dieselopslag en geen eigenaar was van de goederen.
Tijdens het onderzoek bleek dat belanghebbende de enige was met toegang tot de loodsen en dat hij een bekende, [C], toestemming had gegeven om de loodsen te gebruiken. Verklaringen van getuigen en betrokkenen maakten aannemelijk dat belanghebbende op de hoogte was van de opslag van ten minste vier IBC-tanks diesel en dat hij de mogelijkheid creëerde voor opslag van de overige tanks.
Het hof oordeelde dat belanghebbende als persoon die betrokken was bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen verantwoordelijk is voor de verschuldigde accijns. De naheffingsaanslag werd daarom bevestigd. Het hof zag geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden en wees proceskostenveroordeling af.
De uitspraak is gedaan door het hof ’s-Hertogenbosch op 19 februari 2021 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Belanghebbende kan binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.