ECLI:NL:GHSHE:2021:654

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
200.285.134_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:322 lid 1 sub c BWArt. 810 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voogdij uitsluitend aan pleegvader toegewezen in belang minderjarige

In deze zaak stond de voogdij over een minderjarige centraal. De rechtbank Limburg had eerder besloten om beide pleegouders als voogd aan te wijzen. De gecertificeerde instelling (GI) kwam hiertegen in hoger beroep omdat per abuis om benoeming van beide pleegouders was verzocht, terwijl alleen de pleegvader als voogd was bedoeld.

De GI wijzigde haar verzoek in hoger beroep en stelde voor alleen de pleegvader tot voogd te benoemen. Zowel de minderjarige als de pleegouders stemden hiermee in en wensten geen mondelinge behandeling. Het hof overwoog dat het belang van de minderjarige leidend is en dat het verzoek van de GI voldoende aannemelijk was.

Het hof vernietigde daarom het deel van de beschikking waarin de pleegmoeder tot voogd was benoemd en bevestigde de rest van de beschikking. De voogdij wordt nu exclusief aan de pleegvader toegewezen, waarmee het belang van de minderjarige wordt gediend.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek toe om alleen de pleegvader als voogd aan te wijzen en vernietigt de benoeming van de pleegmoeder tot voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 4 maart 2021
Zaaknummer : 200.285.134/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/279695 / FA RK 20-2408
in de zaak in hoger beroep van:
de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
Deze zaak gaat over:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • de heer [de pleegvader] ;
  • mevrouw [de pleegmoeder] ;
hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, dan wel tezamen: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 augustus 2020.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2020, heeft de GI haar inleidende verzoek gewijzigd, in die zin dat het verzoek als volgt komt te luiden:
Redenen waarom de GI u verzoekt:
Haar op grond van artikel 1:322 lid 1 sub c van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te ontslaan van de voogdij over [minderjarige] ten gunste van de pleegvader.
De beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI verzoekt voormelde beschikking van 3 augustus 2020 gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende het gewijzigde verzoek alsnog toe te wijzen, te weten om de GI op grond van 1:322 lid 1 sub c BW te ontslaan van de voogdij over [minderjarige] ten gunste van de pleegvader, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De zaak is zonder mondelinge behandeling op de stukken afgedaan.

3.De beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 30 september 2010 heeft de rechtbank Maastricht, voor zover hier van belang, [de moeder] (de moeder) van het ouderlijk gezag over [minderjarige] ontheven en bepaald dat de GI de voogdij over [minderjarige] zal uitoefenen.
3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de GI – conform haar verzoek – ontslagen van de voogdij over [minderjarige] en de pleegouders tot voogden over [minderjarige] benoemd.
3.3.
De GI kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover beide pleegouders tot voogd over [minderjarige] zijn benoemd, en is hiervan in hoger beroep gekomen. De GI voert in het beroepschrift aan dat vanwege de wisseling van voogd die namens de GI de voogdij uitoefende vlak voor de indiening van het inleidende verzoekschrift, per abuis is verzocht om de voogdij over te dragen aan beide pleegouders. Dit had alleen de pleegvader moeten zijn. Van het begin af aan is het de bedoeling geweest alleen hem tot voogd over [minderjarige] te benoemen. Dit komt overeen met de wens van zowel [minderjarige] als ook van beide pleegouders.
3.4.
Het hof overweegt het volgende.
3.5.
Ingevolge artikel 1:322 lid 1 aanhef Pro en onder sub c BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan, indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk bereid heeft verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.
3.6.
Niet in geschil is het ontslag van de GI als zodanig. In hoger beroep ligt slechts de vraag voor of beide pleegouders dan wel alleen de pleegvader tot voogd moet worden benoemd. Het is voldoende aannemelijk geworden dat per abuis is verzocht de voogdij over te dragen aan beide pleegouders, welk verzoek de rechtbank – zonder mondelinge behandeling – heeft ingewilligd. Uit de door de GI bij haar beroepschrift overgelegde instemmingsverklaring van [minderjarige] en de pleegouders kan worden opgemaakt dat het de wens van zowel [minderjarige] als beide pleegouders is dat enkel de pleegvader met de voogdij over [minderjarige] wordt belast en zij allen instemmen met het verzoek van de GI in hoger beroep. Zij geven daarbij aan geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling in hoger beroep.
Gelet op het bovenstaande en gezien de stukken acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat alleen de pleegvader tot voogd over haar wordt benoemd.
3.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, louter voor zover beide pleegouders tot voogd over [minderjarige] zijn benoemd.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 augustus 2020, voor zover [de pleegmoeder] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , tot voogd over [minderjarige] is benoemd;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is op 4 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.