De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen. De kinderen staan sinds oktober 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank had de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot oktober 2021.
De moeder betwistte de noodzaak van verlenging en stelde dat zij inmiddels in staat is om voor haar kinderen te zorgen en een veilige opvoedingsomgeving te bieden. Zij erkent fouten, werkt mee aan hulpverlening en is gestart met een behandeltraject bij de GGZ. De GI stelde echter dat ondanks de inzet van hulpverlening de moeder nog onvoldoende vooruitgang heeft geboekt en niet in staat is om aan de basisbehoeften van de kinderen te voldoen.
Het hof overweegt dat de moeder eerst haar eigen verleden en trauma’s moet verwerken voordat zij de zorg voor de kinderen volledig kan overnemen. De GI en het hof achten de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. De verlenging van de machtiging wordt daarom bekrachtigd. Het verzoek van de moeder om de GI in de proceskosten te veroordelen wordt afgewezen.