Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om de beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen, waarbij het hof de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigt. De vader is in hoger beroep gekomen tegen het besluit dat het gezag voortaan aan de moeder alleen toekomt. Het hof stelt vast dat sinds september 2018 het contact tussen de vader en de kinderen is verbroken en dat de vader moeilijk bereikbaar is voor de moeder, de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming.
De vader betwist dat hij onbereikbaar is en stelt dat hij alleen op de hoogte gehouden wil worden van gezagsbeslissingen, maar het hof acht dit onvoldoende onderbouwd. De moeder, GI en raad benadrukken dat de onbereikbaarheid en het gebrek aan contact de uitvoering van het gezag ernstig bemoeilijken. Ook is vastgesteld dat de vader het gezag van de moeder heeft ondermijnd en dat de kinderen daardoor klem kwamen te zitten.
Het hof overweegt dat voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico inhoudt dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. De beëindiging van het gezamenlijk gezag is daarom anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en kent het gezag toe aan de moeder.