In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het gezag over haar jonge dochter beëindigde. De moeder betwist de beëindiging en verzoekt onder meer om een aanvullend deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a Rv.
Het hof overweegt dat het kind ernstige ontwikkelingsachterstanden en beschadigingen heeft opgelopen tijdens de periode dat het bij de moeder woonde. De moeder kon onvoldoende inspelen op de behoeften van het kind en er waren meerdere zorgmeldingen over de verzorging en veiligheid. Het kind is met spoed uit huis geplaatst en verblijft nu in een stabiel pleeggezin waar het zich langzaam ontwikkelt.
Het hof stelt dat aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging is voldaan, omdat het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn voor het kind te zorgen. Het belang van het kind vereist stabiliteit en duidelijkheid over het perspectief, wat alleen kan worden bereikt door het gezag te beëindigen.
Het verzoek van de moeder om een 810a-onderzoek wordt afgewezen omdat dit niet tot een andere beslissing kan leiden en het belang van het kind zich tegen een dergelijk belastend onderzoek verzet. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af.